ECLI:NL:RBZWB:2025:7334

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
C/02/431329 / JERK 25-183
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Jansen
  • Van Leuven
  • Skrotzki
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met perspectiefbesluit

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 oktober 2025 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader zonder gezag. Tevens is het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling (GI) beoordeeld, waarin het opvoedperspectief van de minderjarige niet langer bij de moeder maar bij de vader ligt.

De minderjarige staat sinds april 2024 onder toezicht van de GI en verblijft sinds september 2024 bij de vader. De moeder heeft het gezag. De Raad voor de Kinderbescherming bracht een uitgebreid rapport uit waarin ernstige gedragsproblemen en ontwikkelingsachterstanden van de minderjarige worden beschreven, mede veroorzaakt door instabiliteit en onveiligheid in de opvoedingssituatie bij de moeder, die kampt met psychiatrische en drugsproblematiek. De vader biedt een stabiele en veilige opvoedingssituatie.

De rechtbank oordeelt dat de gronden voor verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing aanwezig zijn. Het perspectiefbesluit van de GI wordt bevestigd als redelijk en in het belang van de minderjarige. De moeder blijft een belangrijke rol houden, maar de minderjarige kan de onzekerheid over zijn opvoedplek niet langer verdragen. De rechtbank benadrukt het belang van goede samenwerking tussen ouders en het ondersteunen van de moeder bij haar persoonlijke problematiek.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader en bevestigt het perspectiefbesluit dat de minderjarige verder bij de vader zal opgroeien.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431329 / JE RK 25-183
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Nadere beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. C.R. Pirone uit Rijen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 12 augustus 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van de GI van 25 september 2025.
1.2.
Op 25 september 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de behandeling van zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
Daarnaast was, met bijzondere toestemming van de voorzitter, als toehoorder aanwezig mevrouw [persoon 1] (een stagiaire werkzaam bij de Raad).
1.3.
[minderjarige] is voorafgaand aan de zitting, te weten op 22 september 2025, uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. Op dit gesprek is [minderjarige] niet verschenen. Bij brief van 25 september 2025 heeft de GI aan de rechtbank laten weten dat [minderjarige] alsnog gebruik wil maken van de mogelijkheid tot een gesprek met de kinderrechter. Besloten is om [minderjarige] , na de zitting, nogmaals uit te nodigen voor een kindgesprek, te weten op 2 oktober 2025. Op dit gesprek is [minderjarige] wel verschenen en is hem naar zijn mening gevraagd.
1.4.
De GI heeft op 24 september 2025 een aanvullend verzoek ingediend met betrekking tot een deeltijdplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders vaderszijde en verzocht om dit aanvullende verzoek op de zitting van 25 september 2025, gelijktijdig met het resterende deel van het verzoek van de GI tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag, te behandelen.
De rechtbank heeft besloten dit verzoek niet tegelijkertijd te behandelen daar zij dit in strijd met de goede procesorde achtte gezien het late tijdstip van indiening van het verzoek. Hierdoor bestond voor de moeder, zoals ook door en namens haar tijdens de zitting aangevoerd, onvoldoende gelegenheid om zich hierop, samen met haar advocaat, voor te kunnen bereiden en hierover haar mening te kunnen geven. Bovendien heeft de moeder meerdere vragen over het aanvullende verzoek van de GI waarover zij nog graag in gesprek wil met de GI.
Dit betekent dat het aanvullende verzoek van de GI in de onderhavige procedure niet zal worden behandeld. Het aanvullende verzoek zal van de onderhavige procedure worden afgesplitst en onder een apart procedurenummer worden geregistreerd en op een nog nader te bepalen zitting voor behandeling worden gepland.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] staat sinds 19 april 2024 onder toezicht van de GI. Daarnaast verblijft
[minderjarige] sinds 9 september 2024 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader zonder gezag in plaats van bij de moeder.
2.3.
Bij verzoekschrift van 27 januari 2025 heeft de GI verzocht tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij brief van 3 maart 2025 heeft de GI het verzoek aangevuld met de vraag om in de beschikking uitdrukkelijke overwegingen te wijden aan het opvoedperspectief van [minderjarige] . Volgens de GI is het opvoedperspectief van [minderjarige] niet langer gelegen bij de moeder, maar bij de vader.
2.4.
Bij beschikking van 13 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag verlengd tot
19 augustus 2025. Het verzoek van de GI is voor het overige aangehouden in afwachting van het rapport/advies van de Raad over de in die beschikking opgenomen vragen, die voornamelijk betrekking hebben op het perspectief van [minderjarige] .
2.5.
De Raad heeft op 20 juni 2025 rapport uitgebracht.
2.6.
Bij beschikking van 12 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag ambtshalve verlengd tot 9 oktober 2025. De behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden tot aan de onderhavige zitting. Daarbij is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
2.7.
[minderjarige] verblijft op basis van de laatst afgegeven machtiging (nog steeds) bij de vader. [minderjarige] heeft wekelijks contact met zijn moeder, te weten eenmaal per week telefonisch contact onder begeleiding van de vader en eenmaal per week fysiek contact op het terrein van en onder begeleiding van [hulpverlening 1] .

3.Het verzoek

3.1.
Ter beoordeling ligt voor het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag voor de periode van 9 oktober 2025 tot 19 april 2026 alsook het door de GI op 3 maart 2025 genomen besluit dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder maar bij de vader is gelegen.

4.Het raadsrapport

4.1.
De Raad heeft een onderzoek verricht naar het perspectief van [minderjarige] en heeft hierover in het raadsrapport van 20 juni 2025 gerapporteerd en geadviseerd.
4.2.
[minderjarige] heeft in de opvoedingssituatie van de moeder, voorafgaand aan het wonen bij de vader, te maken gehad met instabiliteit en onveiligheid als gevolg van persoonlijke problemen bij de moeder. De moeder is door verminderde cognitieve capaciteiten alsmede, psychiatrische en drugsproblematiek niet altijd voorspelbaar en emotioneel beschikbaar geweest voor [minderjarige] . Daarnaast is het de moeder onvoldoende gelukt om aan te sluiten bij de opvoedingsbehoeften van [minderjarige] en heeft zij verbaal en fysiek geweld gebruikt in de opvoeding van [minderjarige] .
De Raad maakt zich al langere tijd veel zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige] . Uit eerder onderzoek door de Raad begin 2024 bleek dat [minderjarige] thuis en op school ernstige gedragsproblemen liet zien, waarbij hij zich verbaal en fysiek agressief kon uiten. School raakte handelingsverlegen. Tot op heden gaat [minderjarige] dan ook niet naar school, maar maakt hij gebruik van de specialistische dagbesteding bij [organisatie 1] . Ondanks dat [minderjarige] een voorzichtige positieve ontwikkeling laat zien op [organisatie 1] in gedrag (meer rust en grip op emoties) en ontwikkeling (betere concentratie en aansluiting met groepsgenootjes) is sprake van een forse ontwikkelingsachterstand en is [minderjarige] vanwege zijn gedrag nog steeds afhankelijk van één-op-één begeleiding. Een extra en grote zorg is dat [minderjarige] eind 2023 suïcidale uitspraken heeft gedaan, zowel thuis als op school. Na de laatste zitting in maart 2025 heeft [minderjarige] vaker gezegd dat hij dood wilde, ook recent tegen zijn begeleider van [organisatie 1] . Mogelijk hebben de gedragsproblemen van [minderjarige] te maken met de omstandigheden in de opvoedingssituatie van de moeder. Daarnaast vermoedt de Raad dat [minderjarige] zijn huidige thuissituatie, waarbij hij woont bij de vader en begeleid contact heeft met zijn moeder, heel ingewikkeld vindt. [minderjarige] laat vooral moeilijk gedrag zien bij veranderingen of onvoorspelbare situaties. Ook lijkt [minderjarige] te worstelen met zijn loyaliteit naar zijn beide ouders.
4.3.
De Raad ziet mogelijkheden bij de ouders om de zorgen weg te nemen. Zo komt de moeder de contactmomenten met [minderjarige] na en is sprake van een fijn contact tussen de moeder en [minderjarige] . De opvoedingsomgeving van de vader komt voldoende tegemoet aan wat [minderjarige] nodig heeft in de opvoeding. De vader laat stabiliteit en voorspelbaarheid zien in de wijze waarop hij omgaat en reageert op [minderjarige] en biedt hem de benodigde basale zorg, structuur, duidelijkheid en regelmaat. Daarnaast hebben beide ouders het afgelopen jaar op een positieve wijze gebruik gemaakt van hulpverlening in relatie tot [minderjarige] (begeleide omgang voor de moeder en opvoedingsondersteuning voor de vader), en laat de moeder zien dat zij moeite doet om te kunnen starten met een behandeling voor haar persoonlijke problematiek. De Raad ziet echter ook belemmeringen bij [minderjarige] en de ouders om de zorgen weg te nemen. Zo is er nauwelijks zicht op en zijn er nog steeds veel zorgen over het drugsgebruik van de moeder die hiervoor tot op heden geen behandeling heeft gehad. Ook zijn er nog altijd zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en heeft zij in het afgelopen jaar nog geen gebruik kunnen maken van opvoedingsondersteuning. Eerdere hulpverlening vanuit het [hulpverlening 2] , gericht op gezond persoonlijk functioneren, heeft niet kunnen zorgen voor blijvende stabiliteit bij de moeder. Daarnaast hebben de ouders nog geen gebruik gemaakt van hulpverlening ten behoeve van verbetering van de oudersamenwerking. Verder maakt de Raad zich zorgen over de mogelijkheden van het netwerk aan moederszijde om de belangen van [minderjarige] voorop te stellen alsook het verminderde vertrouwen van de moeder in de bedoelingen en werkwijze van de GI.
4.4.
Volgens de Raad is de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] om in onzekerheid te zijn over zijn opvoedperspectief verstreken. [minderjarige] heeft last van de onzekerheid over zijn opvoedplek en hij kan niet langer wachten op duidelijkheid over waar hij verder zal opgroeien. Voor [minderjarige] is het heel belangrijk dat hij rust ervaart in zijn leven. Deze rust ontstaat als er duidelijkheid, structuur, voorspelbaarheid, veiligheid, stabiliteit en zekerheid wordt geboden in zijn opvoedingssituatie. Daarbij concludeert de Raad dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder ligt. De opvoedingssituatie bij de moeder sluit onvoldoende aan bij wat [minderjarige] nodig heeft van zijn opvoeders. Bovendien kan [minderjarige] niet langer meer wachten of het de moeder lukt om de stappen die zij zegt nog te willen (en moet) gaan maken om de zorgen over haar persoonlijk functioneren en haar opvoedershandelen weg te nemen, daadwerkelijk te zetten. Geadviseerd wordt dan ook om [minderjarige] verder op te laten groeien bij de vader. De vader biedt aan [minderjarige] een stabiele en veilige opvoedingssituatie. Daarnaast heeft de Raad het vertrouwen dat de vader [minderjarige] de ruimte zal blijven geven en zich zal blijven inzetten voor positief contact tussen [minderjarige] en de moeder.
4.5.
Daarbij wijst de Raad erop dat het voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] van belang is dat [minderjarige] een fijne en ontspannen relatie met zijn beide ouders heeft. [minderjarige] houdt van zijn beide ouders namelijk evenveel. Op basis van de bevindingen van de betrokken hulpverlening dient een passende regeling tussen [minderjarige] en de moeder te worden bepaald, waarbij in de opvoedingsvaardigheden van de moeder geïnvesteerd moet worden voor een veilige en ontspannen relatie tussen [minderjarige] en zijn moeder. Ook is het belangrijk dat [minderjarige] kan gaan starten op de [hulpverlening 3] , die speciaal onderwijs biedt en waarbij begeleiding en lesstof op maat wordt geboden. Daarnaast dient er meer zicht te komen op de algehele ontwikkeling van [minderjarige] zodat duidelijk wordt welke specifieke ondersteuning hij van zijn ouders en eventuele hulpverlening nodig heeft en/of dat [minderjarige] gebaat zou zijn bij een behandeling. Verder heeft [minderjarige] het nodig dat zijn ouders met elkaar door één deur kunnen, elkaar respecteren en goede afspraken met elkaar kunnen maken over [minderjarige] . Met de ouders zal samen besproken moeten worden hoe beslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden in de situatie dat de moeder eenhoofdig belast is met het gezag en dat
[minderjarige] bij de vader woont en opgroeit.

5.De standpunten

De GI
5.1.
De vertegenwoordigsters van de GI, waarbij de betrokken jeugdzorgwerkster het woord heeft gevoerd, hebben tijdens de zitting aangegeven dat het resterende verzoek van de GI tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt gehandhaafd. De GI ziet op dit moment noch binnen afzienbare termijn mogelijkheden voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De Raad heeft het opvoedbesluit van de GI, namelijk dat het opvoedperspectief van [minderjarige] niet ligt bij de moeder maar bij de vader, in zijn onderzoek bevestigd. De GI vindt het belangrijk dat er duidelijkheid komt over het opvoedperspectief van [minderjarige] . Dit zodat spanningen hierover worden weggenomen en dat aan de [minderjarige] de benodigde helderheid hierover kan worden gegeven. [minderjarige] vraagt letterlijk waar hij tot zijn volwassenheid gaat opgroeien. Hij is hier veel mee bezig, temeer omdat hij het voor zijn beide ouders goed wil doen.
[minderjarige] houdt zijn omgeving erg in de gaten en heeft moeite met het schakelen in het contact tussen zijn ouders en hun (familie)systemen. Ook reageert [minderjarige] sterk op veranderingen, dat zich uit in onrustig verbaal en fysiek gedrag. [minderjarige] is gestart met PMT bij [organisatie 2] . Hij gaat nog naar de dagbesteding bij [organisatie 1] . Het plan is om in de komende periode in kleine stapjes te werken richting onderwijs bij de [hulpverlening 3] . Om dit te kunnen laten slagen is het belangrijk dat [minderjarige] succeservaringen op gaat doen.
Ondanks het perspectiefbesluit blijft de moeder zeer belangrijk in het leven van [minderjarige] . De moeder betekent namelijk heel veel voor [persoon 2] op heden is er echter nog geen ruimte gezien om het contact tussen [minderjarige] en de moeder uit te breiden dan wel de begeleiding van de contactmomenten te laten vervallen en/of te verminderen. Hoewel er veel liefde wordt gezien tussen de moeder en [minderjarige] , verlopen de contactmomenten wisselend. De moeder heeft soms moeite met het reguleren van haar emoties, hetgeen belastend is voor [minderjarige] . Daarnaast zijn er nog steeds veel zorgen over de bij de moeder aanwezige persoonlijke problematiek, waarvoor zij tot op heden geen behandeling krijgt, alsook haar opvoedershandelen. Bij de moeder is sprake van enige pedagogische onmacht waardoor zij in het contact met [minderjarige] sturing en coaching nodig heeft. Positief is echter wel dat de moeder recent gestart is met het ouder-kind traject bij [hulpverlening 4] . De eerste contacten tussen de moeder en [hulpverlening 4] zijn goed verlopen.
De GI wil in de komende periode verder inzetten op het contact tussen [minderjarige] en de moeder met als doel om de moeder, naast de vader, een belangrijke rol in het leven van
[minderjarige] te geven. Daarvoor is wel nodig dat de moeder de samenwerking met de GI en hulpverlening aangaat en dat zij inzicht gaat geven in de behandeling van haar persoonlijke problematiek. De GI is bereid om de moeder te ondersteunen in het organiseren en realiseren van het voor haar benodigde behandeltraject.
De GI stimuleert het contact tussen de ouders. Het staat de ouders vrij om, buiten de GI om, contact met elkaar te hebben over [minderjarige] . Wel wordt er gezien dat de communicatie tussen de ouders niet altijd soepel verloopt. Het systeem van de vader moet wel eens een grens trekken richting de moeder wanneer zij grensoverschrijdend gedrag vertoont met als doel [minderjarige] te beschermen tegen dit gedrag van de moeder.
De moeder
5.2.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting aangevoerd dat de moeder kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader. Gezien de huidige omstandigheden waarbij sprake is van een beperkt contact tussen de moeder en [minderjarige] en tot op heden geen zicht bestaat op een uitbreiding van dit contact, verzet de moeder zich echter tegen het opvoedbesluit van de GI.
De moeder wil graag een grotere rol in het leven van [minderjarige] hebben dan dat zij nu heeft. Zij ziet [minderjarige] slechts eenmaal per week, en dat doet haar veel verdriet. Zij mist [minderjarige] enorm. De moeder werkt mee aan het recent gestarte ouder-kind traject van [hulpverlening 4] . [hulpverlening 1] , die de begeleiding van de fysieke contactmomenten van De GezinsManager heeft overgenomen, is positief over de wijze waarop het contact tussen de moeder en [minderjarige] plaatsvindt. Daarnaast is de moeder druk bezig om zich aan te melden voor een behandeling van haar persoonlijke problematiek. Zij heeft zich na de afwijzing bij Novadic-Kentron aangemeld voor behandeling bij [instantie] , maar is bij die instantie om onduidelijke redenen afgewezen. De GGZ biedt op dit moment bemiddeling, en heeft de moeder doorverwezen naar STEVIG voor behandeling. De moeder heeft daarvoor een aanmeldformulier ingevuld, en dit zou moeten gaan lopen op korte termijn.
De moeder wil graag toewerken naar co-ouderschap, maar heeft op dit moment niet het vertrouwen dat de GI hieraan zal meewerken. De GI blijft vooralsnog vasthouden aan één fysiek contactmoment per week onder begeleiding. Daarbij wordt de moeder tegengeworpen dat zij vanwege haar persoonlijke problematiek geen stabiel leven heeft. De moeder staat, zoals uit het voorgaande blijkt, echter open voor behandeling en slikt op dit moment medicatie waardoor zij meer rust en stabiliteit ervaart. Daarnaast is zij in september van dit jaar gestopt met het gebruiken van drugs. Er is aldus ruimte tot uitbreiding van het contact, en hierop dient ook te worden ingezet. De moeder werkt immers mee aan een verbetering van haar situatie.
Ook acht de moeder de manier waarop de GI de samenwerking met haar aangaat niet helpend. In het afgelopen jaar heeft er een wisseling plaatsgevonden van jeugdzorgwerkster. De moeder is hierover aanvankelijk niet geïnformeerd. Ook heeft het enige tijd geduurd voordat er een vervangster kwam en de huidige jeugdzorgwerkster betrokken raakte. De GI was in die periode niet bereikbaar, waardoor de begeleide omgang enige tijd stil heeft gelegen. Dit deed de moeder veel verdriet. Daarnaast worden door de GI vaak pas op het laatste moment besluiten genomen, zoals recent met betrekking tot het aanwezig kunnen zijn van [minderjarige] bij het nemen van afscheid van een familielid van de moeder Dit levert vervelende situaties op. Dit alles maakt het voor de moeder lastig om zich open te stellen voor de GI.
Daarnaast maakt de GI volgens de moeder de situatie onnodig complex door het contact tussen haar en de vader in de weg te staan. De GI houdt de vader tegen het contact met de moeder rechtstreeks aan te gaan, waardoor de vader zich niet vrij voelt om buiten de GI om zaken over [minderjarige] te bespreken met de moeder. Dit terwijl de ouders prima met elkaar kunnen overleggen en elkaar het beste gunnen. Dit doet zowel de ouders als [minderjarige] geen recht.
Verder heeft de moeder nog aangevoerd dat zij twijfelt aan de onafhankelijkheid van de raadsonderzoeker die het raadsrapport van 20 juni 2025 heeft opgesteld. Dit omdat deze onderzoeker eerder betrokken is geweest bij een raadsonderzoek rondom [minderjarige] in 2024.
De vader
5.3.
De vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij doet wat hij kan voor [minderjarige] . De ene keer gaat het met [minderjarige] en zijn gedrag beter dan de andere keer. Geprobeerd wordt om het gedrag van [minderjarige] zoveel mogelijk te stabiliseren. Er wordt [minderjarige] hulpverlening geboden vanuit [organisatie 1] en [organisatie 2] . Toch geeft [minderjarige] soms aan dat het hem teveel wordt. Laatst heeft [minderjarige] nog laten weten dat hij zelfmoord wil plegen. Dat is lastig. Wel begint [minderjarige] steeds meer te praten en aan te geven wat er in zijn hoofd omgaat. Ook worden er stappen gezet om [minderjarige] weer naar school te laten gaan. Dat is een positieve ontwikkeling. Het contact met de moeder verloopt wisselend. De moeder reageert haar frustraties soms op de vader af. De vader stopt op dat moment het contact met de moeder. Als het goed met de moeder gaat, kunnen de ouders goed met elkaar overleggen over [minderjarige] . Er bestaat vanuit de vader geen wrok of anderszins naar de moeder. Hij wil graag dat er goed contact is tussen [minderjarige] en de moeder.
De Raad
5.4.
De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de zitting aangevoerd dat zij het raadsrapport van 20 juni 2025 duidelijk en goed onderbouwd acht, en dat zij niet twijfelt aan de onafhankelijkheid van de raadsonderzoekster. De Raad handhaaft het advies dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt en raadt aan om vast te leggen dat [minderjarige] verder opgroeit bij de vader. [minderjarige] kan de onzekerheid over zijn opvoedperspectief niet langer verdragen en belangrijk is dat hierover door de rechtbank een besluit wordt genomen. Belangrijk is ook dat ingezet wordt op een goed en frequent contact tussen de moeder en [minderjarige] mits de veiligheid van [minderjarige] voldoende gewaarborgd is. De vertegenwoordigster van de Raad ziet in het raadsrapport openingen voor een eventuele uitbreiding van dit contact, maar dit moet wel onder regie van de GI plaatsvinden en de veiligheid van [minderjarige] moet voldoende gewaarborgd zijn. Gezien de huidige situatie spreekt het voor zich dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader worden verlengd. Indien de rechtbank zou bepalen dat het opvoedperspectief van [minderjarige] bij de vader is gelegen, is het wenselijk dat de vader als hoofdopvoeder van [minderjarige] samen met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt belast. De Raad spreekt de hoop uit dat de ouders dat in die situatie in het belang van [minderjarige] samen zullen regelen en hierover geen strijd met elkaar gaan voeren.
[minderjarige]
5.5.
Eén van de behandelend rechters, mr. van Leuven, heeft op 2 oktober 2025 met [minderjarige] gesproken. [minderjarige] is heel duidelijk over zijn ouders: hij houdt van ieder van hen en wil bij beiden wonen. Vroeger woonde [minderjarige] , zo vertelt hij, bij zijn mama en was hij in de weekeinden bij papa. Hij woont nu bij papa omdat de situatie nu zo is. Dan kan hij nu toch in de weekeinden bij mama wonen? Dan draaien we de situatie om, aldus [minderjarige] . Hij kan zelf best goed omgaan met de situatie rond zijn moeder, omdat hij zo lang bij haar was, ook toen het al niet zo goed ging.
Over de spulletjes, waarover hij schreef: dat wil hij graag uitleggen. Hij heeft spullen bij papa en mama. Sommige spullen wil hij ook bij papa hebben, maar het duurt dan heel lang voordat daar over besloten wordt. Dat gaat dan via [persoon 3] , maar dat duurt te lang. Het gaat om de Nintendo switch: die wil hij mee kunnen nemen naar papa. Mama vindt dat wel goed, maar dat moeten papa en [persoon 3] ook goed vinden. Playstation 5: die is bij mama en dat wil [minderjarige] ook zo houden. En kleren: dat kan ook beter dan zo als het nu gaat. Daar kunnen [persoon 3] en zijn ouders betere afspraken over maken.
[minderjarige] vindt het fijn dat hij ook bij zijn grootouders kan zijn, zo als dat nu gaat.
[minderjarige] weet al wat hij later wil worden: op een Airport koffers en tassen scannen en controleren. Vandaag mocht hij beneden ook papa’s spullen mee scannen.
De rechters, zijn ouders en [persoon 3] mogen alles weten wat hij heeft verteld.

6.De beoordeling

Juridisch kader
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
6.3.
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Op grond van artikel 1:265c, tweede lid, van het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Verlenging ondertoezichtstelling
6.5.
De rechtbank is, gelet op hetgeen uit de voorliggende stukken en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling zoals genoemd in artikel 1:255 van Pro het BW nog aanwezig zijn. Hoewel [minderjarige] kleine positieve stapjes in zijn ontwikkeling maakt, zijn er nog steeds grote zorgen over [minderjarige] en zijn ontwikkeling. [minderjarige] laat nog altijd gedragsproblematiek zien, gaat nog niet naar school en ervaart veel onrust vanwege de onzekerheid over zijn huidige woonplek bij zijn vader en het contact met zijn moeder. De [minderjarige] bestaande ontwikkelingsbedreigingen kunnen niet door de ouders op vrijwillige basis worden weggenomen. Daarvoor is de problematiek te complex. Belangrijk is dat de GI betrokken blijft om in het gedwongen kader te werken aan de gestelde doelen om de ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige] weg te nemen en/of te verminderen. Het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal dan ook worden toegewezen. Beide ouders stemmen hiermee in.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en perspectiefbesluit
6.6.
Ook is de rechtbank op basis van de voorliggende stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de gronden voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. Een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder behoort, gezien de huidige omstandigheden, niet tot de mogelijkheden. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] vindt op dit moment nog steeds onder begeleiding plaats, en beperkt zich tot één belcontact en één fysiek contactmoment per week. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog altijd noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, van het BW). Het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag zal derhalve, eveneens met instemming van de ouders, worden toegewezen.
6.7.
Ten aanzien van de perspectiefbepaling van [minderjarige] overweegt de rechtbank allereerst dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsingang waarin het door de GI genomen perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023, bekend onder ECLI:NL:HR:2023:1148, volgt evenwel dat de rechter een perspectiefbesluit wel mag beoordelen in het kader van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien of samenhangen met het standpunt van de GI over het opvoedperspectief van het kind. Aangezien die situatie zich hier voordoet, is de rechtbank bevoegd om zich in het kader van het verzoek van de GI uit te laten over het perspectiefbesluit.
6.8.
De rechtbank is, met inachtneming van het onderzoeksrapport van de Raad van
20 juni 2025 waaraan een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en geen aanwijzingen zijn van enige vooringenomenheid bij de raadsonderzoeker gedurende het onderzoek, van oordeel dat de GI in redelijkheid tot het perspectiefbesluit is gekomen. Voor de rechtbank is komen vast te staan dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt, maar bij de vader en dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij verder opgroeit bij de vader. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
6.9.
Gezien wordt dat de moeder betrokken is bij [minderjarige] en veel van hem houdt. In de opvoedsituatie bij de moeder heeft [minderjarige] echter veel instabiliteit en onveiligheid gekend. Er is diverse hulpverlening ingezet, zowel binnen het vrijwillige kader als het onvrijwillige kader, om te komen tot een verbetering van de persoonlijke situatie van de moeder en de opvoedsituatie van [minderjarige] bij haar. Deze hulpverlening is tot op heden echter niet afdoende geweest en is evenmin volledig van de grond gekomen. Zo heeft de moeder nog geen behandeling gekregen voor haar drugsgebruik in combinatie met haar psychiatrische problematiek en is zij pas recent gestart met een voor haar ogenschijnlijk passende vorm van opvoedondersteuning bij [hulpverlening 4] , te weten het moeder-kindtraject. De rechtbank ziet dat de moeder, binnen haar mogelijkheden, inspanningen verricht om een voor [minderjarige] stabiele en veilige opvoedsituatie te realiseren. De moeder dient hierin echter nog grote stappen te maken, en de rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] dit proces van de moeder niet (nog) langer kan afwachten. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] , die ziet op de periode waarin [minderjarige] in onzekerheid mag verkeren over de plek waar hij zal opgroeien, namelijk verstreken. [minderjarige] ervaart veel onrust en spanningen over zijn opvoedperspectief, dat hem enorm belast. In het gesprek met de raadsonderzoeker heeft [minderjarige] letterlijk gezegd blij te worden als de rechter een beslissing neemt bij welke ouder (papa of mama) gaat opgroeien. Daarnaast heeft [minderjarige] suïcidale uitspraken gedaan na de laatste beschikking van de rechtbank vanwege de voortdurende onduidelijkheid over zijn opvoedperspectief. Naar het oordeel van de rechtbank moet [minderjarige] op dit moment dan ook duidelijkheid worden geboden over de plek waar hij gaat opgroeien en waar hij zich verder mag ontwikkelen.
6.10.
[minderjarige] woont inmiddels meer dan een jaar bij de vader. [minderjarige] heeft het naar zijn zin bij de vader en zet stapjes vooruit in zijn ontwikkeling. De vader is in staat om tegemoet te komen aan de opvoedbehoeften van [minderjarige] , en biedt hem de veiligheid, stabiliteit en structuur die hij nodig heeft. Ook stelt de vader [minderjarige] in de gelegenheid de voor hem noodzakelijke hulpverlening te volgen. Daarnaast werkt de vader mee aan de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder en geeft hij [minderjarige] hiervoor zijn emotionele toestemming. Belangrijk is dat de veilige en stabiele opvoedsituatie die [minderjarige] bij de vader heeft, wordt gecontinueerd.
6.11.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank er daarom mee instemmen dat de GI niet meer inzet op een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Een voorzetting van het verblijf van [minderjarige] bij de vader komt naar het oordeel van de rechtbank het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] .
6.12.
De rechtbank kan zich voorstellen dat het opvoedbesluit de moeder verdriet doet. De moeder is, zoals reeds overwogen, betrokken bij [minderjarige] , voelt veel liefde voor [minderjarige] en wil niets liever dan voor [minderjarige] zorgen. De rechtbank geeft aan de moeder mee dat, ondanks dat de rechtbank achter het door de GI genomen opvoedbesluit staat, zij zeer belangrijk is voor [minderjarige] . Daarin gaat niets veranderen; de moeder zal altijd de ouder van [minderjarige] blijven en haar rol in het leven van [minderjarige] blijft onverminderd van groot belang. De rechtbank gaat er vanuit dat alle betrokkenen zich zullen blijven inspannen om de moeder die belangrijke rol ook uit te laten oefenen. De moeder en [minderjarige] hebben een goede band met elkaar, en hebben beiden grote behoefte aan contact met elkaar. [minderjarige] heeft ook zelf in zijn gesprek met de rechter duidelijk gemaakt dat hij graag weekeinden bij zijn moeder wil zijn, zo als dat vroeger bij zijn vader was. Belangrijk is dat de moeder de noodzakelijke behandeling voor haar persoonlijke problematiek aangaat om een uitbreiding in het contact tussen haar en [minderjarige] mogelijk te maken. De GI heeft ter zitting aangegeven bereid te zijn om de moeder te ondersteunen in het organiseren en realiseren van het voor haar benodigde behandeltraject. De rechtbank ziet dit als een handreiking van de GI naar de moeder; het is aan de moeder of zij zich hiervoor kan en wil openstellen en de GI in dat proces een rol wil geven.
6.13.
Voorts is de rechtbank gebleken dat de ouders het beste met elkaar voor hebben en in staat zijn om met elkaar te communiceren over zaken aangaande [minderjarige] . Weliswaar uit de moeder af en toe haar frustraties bij en/of naar de vader, echter de vader weet hierin een duidelijke grens naar de moeder te stellen die zij ook lijkt te accepteren. Er wordt bij de ouders in ieder geval geen onwelwillendheid gezien om samen invulling te geven aan het ouderschap. In dat kader is tijdens de zitting de mogelijkheid van gezamenlijk gezag besproken. De moeder heeft aangegeven op voorhand geen bezwaren te hebben om het gezag over [minderjarige] samen met de vader uit te oefenen. Afgesproken is dat de ouders, in aanwezigheid van de advocaat van de moeder, hierover een gesprek met elkaar gaan voeren om te bezien in hoeverre zij het gezamenlijk gezag over [minderjarige] in goed onderling overleg kunnen regelen.
6.14.
Tot slot overweegt de rechtbank dat zij het van belang acht dat de GI gaat inzetten op een betere samenwerkingsrelatie met de moeder. Hoewel de rechtbank ziet dat de GI veel inspanningen verricht, voelt de moeder zich met momenten door de GI onvoldoende gehoord en gezien. Belangrijk is dat de GI hiervoor aandacht heeft en voor de moeder goed bereikbaar is. Ook voor [minderjarige] is dit belangrijk; de problemen die hij ervaart rondom de spullen die bij hem horen, zijn een duidelijke aanwijzing. Het is voorts aan de moeder om de goede bedoelingen van de GI te blijven zien en een open houding naar de GI aan te nemen.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.15.
De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 9 oktober 2025 tot 19 april 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag met ingang van 9 oktober 2025 vader tot 19 april 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Jansen, mr. Van Leuven en mr. Skrotzki, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.