ECLI:NL:RBZWB:2025:6891

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
13 oktober 2025
Zaaknummer
BRE 24/3267
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 7:1a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugverwijzing bestuursrechtelijke procedure over last onder dwangsom wegens funderingsproblemen

Eiser verzocht het college op 29 november 2023 om opheffing van een aan hem opgelegde last onder dwangsom betreffende herstelmaatregelen aan een perceel in Hulst, vanwege funderingsproblemen die uitvoering onmogelijk maken. Het college wees dit verzoek bij besluit van 30 januari 2024 af. Eiser maakte bezwaar en vroeg om instemming met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, waarmee het college instemde.

De rechtbank behandelde het beroep op 1 oktober 2025. Tijdens de zitting ontstond discussie over de rol van nieuwe bevindingen omtrent de fundering en de uitvoerbaarheid van herstelmaatregelen. De rechtbank benadrukte dat beoordeling van het besluit gebonden is aan de feiten en omstandigheden bekend ten tijde van het besluit. Door de discussie over nieuwe feiten achtte de rechtbank de zaak niet geschikt voor rechtstreeks beroep.

De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte instemde met rechtstreeks beroep en bepaalde dat het beroepschrift als bezwaarschrift moet worden behandeld. Terugverwijzing naar de bezwaarprocedure is passend om verdere procedures te voorkomen en partijen in gesprek te laten gaan over de nieuwe bevindingen. De uitspraak werd mondeling gegeven en is openbaar.

Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzingsbesluit wordt niet ontvankelijk verklaard voor rechtstreeks beroep en terugverwezen naar de bezwaarprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3267
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. T.N. Sanders),
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, college,

(gemachtigde: mr. A. Schreijenberg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uit Amersfoort (RCE).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om een aan hem opgelegde last onder dwangsom op te heffen.
1.1.
Eiser heeft het college op 29 november 2023 verzocht om de eerder aan hem opgelegde last onder dwangsom – ter zake het perceel aan [adres] (perceel) – op te heffen, omdat de last onuitvoerbaar is door funderingsproblemen. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 30 januari 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 januari 2024 en het college tevens verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Het college heeft ingestemd met het verzoek het bezwaarschrift direct in beroep te behandelen en heeft het bezwaarschrift naar de rechtbank doorgestuurd. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het besluit van 30 januari 2024 op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. G.C. Vergouwen en vergezeld door ing. [naam 1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen zijn gemachtigde en door [naam 2] , vergezeld door ing. [naam 3] . De RCE is vertegenwoordigd door [naam 4] .
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
kan de indiener – in afwijking van het bepaalde in artikel 7:1 van Pro de Awb – in het bezwaarschrift het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Het bestuursorgaan kan op grond van artikel 7:1, derde lid, van de Awb instemmen met het verzoek als het de zaak daarvoor geschikt acht.
2. Eiser heeft het college verzocht om in te stemmen met het instellen van rechtstreeks beroep teneinde het beroep gelijktijdig te doen behandelen met het destijds bij de rechtbank al aanhangige beroep in de procedure BRE 23/3115. Deze beroepsprocedure zag op de door het college aan eiser opgelegde last onder dwangsom ter zake het treffen van noodzakelijke herstelmaatregelen met het oog op onder meer de instandhouding van het Rijksmonument op het perceel. De rechtbank heeft bij de behandeling van dat beroep het beroep tegen het besluit van 30 januari 2024 niet meegenomen. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank over de last onder dwangsom van 18 juli 2024 [1] heeft eiser hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 17 september 2025 uitspraak gedaan in de hoger beroepsprocedure [2] . Ook de AbRS heeft de opgelegde last onder dwangsom in stand gelaten, met dien verstande dat de begunstigingstermijn is verlengd.
3. Tijdens de mondelinge behandeling was tussen partijen in discussie in hoeverre nieuwe bevindingen over – onder meer – de fundering van het achterhuis van het pand en de (on-)mogelijkheid om gelet daarop met name de achtergevel te behouden en de in de last opgelegde herstelmaatregelen nog uit te voeren, een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank heeft partijen voorgehouden dat zij ook bij een rechtstreeks beroep is gebonden het besluit de beoordelen met inachtneming van de ten tijde van dat besluit bekende feiten en omstandigheden. Nu er tussen partijen nog discussie is over de nieuwe bevindingen, acht de rechtbank de zaak om niet geschikt voor rechtstreeks beroep. Daarbij komt nog dat de rechtbank het ook dienstig acht dat partijen over die stukken en bevindingen in gesprek gaan om te voorkomen dat eiser een nieuw opheffingsverzoek doet en daarover weer een procedure wordt gevoerd.

Conclusie en gevolgen

4. Het college heeft ten onrechte ingestemd met het instellen van rechtstreeks beroep. De rechtbank zal bepalen dat het college het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt. Het beroepschrift zal ook worden teruggezonden naar het college.

Beslissing

De rechtbank bepaalt dat het college het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025 door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. A.G.J.M. de Weert en mr. S. Hindriks, leden, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland – West-Brabant 18 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4889.
2.AbRS 17 september 2025, procedurenummer 202405422/1/A2.