ECLI:NL:RBZWB:2025:6591
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting
Belanghebbende kreeg op 19 december 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg. Hiertegen werd op 29 december 2024 bezwaar gemaakt. Na het uitblijven van een tijdige beslissing werd de heffingsambtenaar in gebreke gesteld en verzocht om een dwangsombeslissing. Pas op 4 juni 2025 volgde een beslissing op bezwaar, waarbij de naheffingsaanslag in stand bleef.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombeslissing. Nadat de heffingsambtenaar alsnog een dwangsombeslissing nam op 26 juni 2025, trok belanghebbende het beroepschrift in en verzocht om veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten, inclusief vergoeding van het griffierecht.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aan het beroep was tegemoetgekomen en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling toe. De proceskosten werden vastgesteld op €453,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 en een puntwaarde van €907,-. Tevens wees de rechtbank erop dat de heffingsambtenaar het griffierecht van €53,- moet vergoeden volgens de Awb.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 1 oktober 2025 en zonder zitting openbaar gemaakt. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van €453,50.