Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.Het verzoek
3.De beoordeling
hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 22 september 2025 een beschikking gegeven op een verzoek ex artikel 4:193 lid 1 BW Pro om namens een minderjarige een nalatenschap te verwerpen. De nalatenschap betreft de opa van de minderjarige, die in Nederland opengevallen is. Hoewel de minderjarige en zijn vader in Duitsland wonen en de minderjarige de Duitse nationaliteit heeft, is geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 10 van Pro EU-verordening Brussel II-ter, omdat de moeder in Nederland woont, de minderjarige een nauwe band met Nederland heeft en beide ouders instemmen met de Nederlandse bevoegdheid.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het Nederlandse recht van toepassing is op de erfopvolging, conform artikel 21 lid 1 van Pro de Europese Erfrechtverordening. De machtiging wordt voorwaardelijk verleend, voor het geval de minderjarige daadwerkelijk erfgenaam wordt door de verwerping van de nalatenschap door de moeder. Verzoekers moeten binnen drie maanden na het erfgenaamschap de verwerping inschrijven in het boedelregister.
De beschikking is gegeven door kantonrechter Eijssen-Vruwink en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, binnen drie maanden na uitspraak of betekening. De procedure is zorgvuldig beoordeeld met inachtneming van relevante Europese verordeningen en het Haags Kinderbeschermingsverdrag.
Uitkomst: De kantonrechter verleent machtiging aan de wettelijke vertegenwoordigers om namens de minderjarige de nalatenschap te verwerpen onder voorwaarde van inschrijving in het boedelregister.