ECLI:NL:RBZWB:2025:6131
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en verschoonbare termijnoverschrijding
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar per 1 december 2021 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid van het beroep en oordeelt dat de geringe termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder ernstige postcovidklachten en het ontbreken van rechtsbijstand.
Medisch onderzoek door artsen van het UWV, waaronder een verzekeringsarts bezwaar en beroep, concludeert dat eiseres plausibele postcovidklachten heeft maar dat de beperkingen passend en objectief vastgesteld zijn. Eiseres betwist dit en voert aan dat zij niet hersteld is, recent een revalidatietraject heeft doorlopen en de ziekte van Graves is vastgesteld, wat niet in de beoordeling is meegenomen.
De verzekeringsarts b&b concludeert dat de aanvullende medische informatie betrekking heeft op een periode na de datum in geding en dat er geen aanwijzingen zijn voor zwaardere beperkingen op de datum in kwestie. De rechtbank volgt deze motivering en acht het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd.
De arbeidsdeskundige van het UWV gebruikte passende functies voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid, wat eiseres niet gemotiveerd betwist. De berekening leidt tot een arbeidsongeschiktheid van 31,03%, onder de vereiste 35% voor een WIA-uitkering. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering per 1 december 2021 blijft in stand.