ECLI:NL:RBZWB:2025:6005

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 september 2025
Publicatiedatum
8 september 2025
Zaaknummer
BRE 25/2567
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 236 Gemeentewet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig nemen besluit en vaststelling dwangsom parkeerbelasting

Belanghebbende maakte op 16 oktober 2024 bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De heffingsambtenaar van de gemeente Breda nam niet binnen de wettelijke termijn van zes weken een besluit op dit bezwaar. Na ingebrekestelling op 2 januari 2025 volgde alsnog een uitspraak op bezwaar op 20 januari 2025, maar dit was te laat.

De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar niet heeft gereageerd op verzoeken om stukken en dat alleen de stukken van belanghebbende zijn gebruikt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd is voor de periode van vier dagen te laat beslissen, zijnde €92,-.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht van €53,- en proceskosten van €453,50 aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro, omdat het beroep kennelijk gegrond is. De heffingsambtenaar moet de vergoedingen tijdig betalen, anders loopt wettelijke rente.

De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en geeft belanghebbende hiermee gelijk in het geschil over de dwangsom bij niet tijdig beslissen op bezwaar parkeerbelasting.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt een dwangsom van €92,- vast wegens niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar parkeerbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2567

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking in verband met het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar over de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer].
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [1] Dit geldt ook voor het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. [2]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. De rechtbank merkt op dat de heffingsambtenaar geen gedingstukken heeft overgelegd en ook niet heeft gereageerd op de verzoeken van de rechtbank van 23 mei 2025 en 10 juni 2025. Daarom gaat de rechtbank uit van de stukken die door belanghebbende zijn overgelegd.
4. Belanghebbende heeft op 16 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Omdat de heffingsambtenaar niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar heeft beslist, heeft belanghebbende de heffingsambtenaar bij brief van 2 januari 2025 in gebreke gesteld en de heffingsambtenaar verzocht alsnog op korte termijn een beslissing te nemen. Belanghebbende verwijst in deze brief naar artikel 4:17 van Pro de Awb (dwangsom bij niet tijdig beslissen). Bij brief van 28 februari 2025 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld voor het niet-tijdig nemen van een dwangsombesluit.
De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom vast
5. De heffingsambtenaar heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld, ook niet in de uitspraak op bezwaar. De rechtbank doet dit daarom op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog.
6. Belanghebbende heeft op 16 oktober 2024 bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar moet in dit geval binnen zes weken na indiening op het bezwaarschrift beslissen. [3] De termijn waarbinnen de heffingsambtenaar moet beslissen eindigde op 27 november 2024. De heffingsambtenaar is op 2 januari 2025 in gebreke gesteld en heeft uiteindelijk op 20 januari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. Het besluit is niet op tijd genomen.
7. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De heffingsambtenaar is over elke dag na 16 januari 2025 tot de beslissing op 20 januari 2025 een dwangsom verschuldigd. Dit betekent dat een dwangsom van € 92 (4 x € 23) is verschuldigd. Er bestaat geen recht op een dwangsom over de periode dat de heffingsambtenaar in gebreke is met het nemen van een dwangsombeschikking.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank kent aan belanghebbende een dwangsom toe van € 92,-. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 [4] omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en het beroep beperkt is tot de vraag of een dwangsom verschuldigd is. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 92,-;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • beslist dat voor zover de proceskostenvergoeding en het te vergoeden griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 8 september 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Vgl. HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:906, r.o. 2.4.3.
3.Dit staat in artikel 236 van Pro de Gemeentewet.
4.1 punt (beroepschrift) met een waarde van € 907 per punt en een wegingsfactor 0,5 (licht).