ECLI:NL:RBZWB:2025:4216
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek voor niet-ontvangen huurinkomsten en hypotheeklasten bij echtscheiding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting 2019 waarin de inspecteur aftrek van niet-ontvangen huurinkomsten uit een bedrijfspand, verrekend met hypotheeklasten, weigerde en een bedrag aan ontvangen alimentatie wegens door de ex-echtgenoot betaalde hypotheeklasten in aanmerking nam.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende en haar ex-echtgenoot gezamenlijk eigenaar waren van de woning en het bedrijfspand, waarbij de ex-echtgenoot de huurinkomsten uit het bedrijfspand ontving en deze verrekende met de hypotheeklasten. Uit de echtscheidingsbeschikking en het convenant volgde echter geen rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting voor de ex-echtgenoot om het aandeel van belanghebbende in de hypotheeklasten te voldoen.
De rechtbank verwierp het beroep van de inspecteur op interne compensatie en oordeelde dat de hypotheeklasten op belanghebbende drukten. De aanslag werd verminderd met € 6.813 wegens ten onrechte in aanmerking genomen ontvangen alimentatie. De rechtbank handhaafde de waardering van het woongenot als alimentatiegrondslag en wees het beroep van belanghebbende op aftrek van niet-ontvangen huurinkomsten af.
De belastingrentebeschikking werd aangepast overeenkomstig de vermindering van de aanslag. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2019 wordt verminderd met € 6.813 wegens ten onrechte in aanmerking genomen alimentatie; aftrek van niet-ontvangen huurinkomsten wordt geweigerd.