ECLI:NL:RBZWB:2025:370
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en toepassing artikel 40 Wet WOZ
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) van de gemeente Veere. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning op 1 januari 2022 vastgesteld op €452.000 en het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Tijdens de zitting trok belanghebbende zijn gronden tegen de WOZ-waarde in, zodat het geschil zich beperkte tot de vraag of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ was geschonden. Dit artikel vereist dat op verzoek van belanghebbende afschriften worden verstrekt van gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde, ook als deze niet in het taxatieverslag zijn opgenomen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende gegevens had verstrekt, waaronder het taxatieverslag en aanvullende informatie over de woning en referentiewoningen. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende geen reactie gaf op meerdere verzoeken om inlichtingen over KOUDVL-factoren. Daarom was geen sprake van schending van artikel 40 Wet Pro WOZ.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter Boersma op 24 januari 2025 en is openbaar gemaakt.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.