ECLI:NL:RBZWB:2025:368
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en artikel 40 Wet WOZ niet geschonden in bezwaarprocedure
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gesteld op €758.000 per 1 januari 2022, en voerde aan dat deze waarde te hoog was en dat de heffingsambtenaar niet alle gevraagde gegevens had verstrekt conform artikel 40 van Pro de Wet WOZ.
De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de ingediende stukken en de mondelinge behandeling op 10 januari 2025. De heffingsambtenaar had een taxatiematrix overgelegd met referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar waren qua bouwjaar, oppervlakte en ligging. Tevens was toegelicht hoe rekening was gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, waaronder KOUDVL-factoren en bijgebouwen.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende had voldaan aan zijn bewijslast en dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Ook was artikel 40 Wet Pro WOZ niet geschonden, omdat belanghebbende voldoende gegevens had ontvangen en de heffingsambtenaar meerdere malen om aanvullende informatie had verzocht zonder reactie van belanghebbende.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.