ECLI:NL:RBZWB:2025:366
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en toepassing artikel 40 Wet WOZ
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €529.000 per 1 januari 2022. De rechtbank heeft het beroep op 10 januari 2025 behandeld en beoordeelt of de waarde te hoog is vastgesteld en of artikel 40 van Pro de Wet WOZ is geschonden.
Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €498.000 zou moeten zijn en dat de heffingsambtenaar niet alle gevraagde gegevens had verstrekt, met name over de KOUDVL-factoren en indexeringspercentages. De rechtbank oordeelt echter dat de heffingsambtenaar voldoende gegevens heeft verstrekt en dat artikel 40 Wet Pro WOZ niet is geschonden. De gebruikte referentiewoningen zijn voldoende vergelijkbaar en de heffingsambtenaar heeft transparant inzicht gegeven in de waardebepaling.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag onroerendezaakbelasting blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.