ECLI:NL:RBZWB:2025:3211
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning te Breda
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Breda, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €1.153.000 per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 9 april 2025, waarbij belanghebbende niet is verschenen.
De woning betreft een vrijstaande woning uit 2005 met diverse bijgebouwen en een perceel van 1300 m². De waarde is bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen uit dezelfde plaats en periode zijn gebruikt. De rechtbank acht deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vindt dat de heffingsambtenaar op adequate wijze rekening heeft gehouden met verschillen, waaronder een neerwaartse correctie wegens onderhoudsgebreken.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog is en dat aangrenzende woningen procentueel minder in waarde zouden zijn gestegen, een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verwerpt dit omdat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de woningen identiek en verwaarloosbaar verschillend zijn. Ook is de stijging ten opzichte van het voorgaande jaar niet relevant voor de waardebepaling.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag onroerendezaakbelasting blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.153.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.