Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het aanbieden van huishoudelijk afval op een niet-aangewezen wijze op 18 maart 2024 in Breda. Betrokkene maakte bezwaar, dat door het college werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.
Betrokkene voerde aan dat zij op de datum van de overtreding immobiel was vanwege een knieprothese en geen beschikking had over een auto. Zij betwistte de omgekeerde bewijslast en gaf aan dat zij gebruikte enveloppen hergebruikt en niet wist waar deze terechtkwamen. De gemeente stelde dat het afval via het adres van betrokkene was te herleiden en dat de boete terecht was opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was ondanks een mogelijke termijnoverschrijding, omdat het beroepschrift binnen een week na afloop van de termijn was ontvangen en de verzenddatum niet kon worden vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie geldt een bewijsvermoeden dat de persoon aan wie afval kan worden herleid ook de overtreder is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet het geval is.
De rechtbank vond dat betrokkene voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet de overtreder was, mede gelet op haar omstandigheden en de onderbouwing. Hierdoor ontstond voldoende twijfel, waardoor de boete ten onrechte was opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de betaalde zekerheidstelling van €100 terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete is gegrond verklaard en het besluit vernietigd.