Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de minister van Financiën, verweerder
Inleiding
1.4 De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht compensatie voor een afgeloste schuld van €13.000 bij ABN Amro, voortvloeiend uit een doorlopend krediet afgesloten in 2005. De minister wees dit af omdat niet was aangetoond dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was, een vereiste voor compensatie onder de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank oordeelde dat hoewel de schuld mogelijk na 31 december 2005 was ontstaan, eiseres onvoldoende bewijs leverde dat de schuld binnen de gestelde termijn opeisbaar was geworden. De minister had herhaaldelijk om bewijs gevraagd, maar dit ontbrak. Het causale verband tussen de toeslagaffaire en de schuld speelt geen rol bij de beoordeling.
Eiseres voerde aan dat strikte toepassing van de Wht tot onbillijkheid van overwegende aard leidt en deed een beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank stelde dat de minister terecht oordeelde dat er geen schrijnende, actuele omstandigheden zijn die toepassing van deze clausule rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij proceskostenvergoeding en griffierecht af. De uitspraak werd gedaan door rechter van de Sande op 1 mei 2025 en is openbaar gemaakt.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en compensatie wordt geweigerd wegens niet voldaan aan opeisbaarheidsvoorwaarde en geen toepassing hardheidsclausule.