ECLI:NL:RBZWB:2025:2911
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling invorderingsrente en immateriële schadevergoeding in belastingzaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen twee rentebeschikkingen van de Belastingdienst waarbij invorderingsrente van respectievelijk € 2 en € 11 in rekening werd gebracht op een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2015.
De rechtbank oordeelt dat de ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de betaling en verrekening nog een belastingschuld bestond, ondanks dat belanghebbende stelde dat zij een executoriaal eigenbeslag had gelegd ter hoogte van € 15.000. De belastingrechter is niet bevoegd om over beslaglegging te oordelen, maar wel om te beoordelen of invorderingsrente terecht is geheven. De berekening van de rente is niet betwist en lijkt correct.
Belanghebbende vorderde tevens een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank wijst dit af, mede omdat de procedures samen met die van de echtgenoot en een maatschap zijn behandeld en het financieel belang gering is (€ 15). Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure tot noemenswaardige spanning of frustratie heeft geleid.
De beroepen worden ongegrond verklaard, er is geen recht op vergoeding van griffierecht en geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de invorderingsrente worden ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.