ECLI:NL:RBZWB:2025:2699

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
11624355 VV EXPL 25-15
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over ontruiming sociale huurwoning na ontbinding huurovereenkomst

De huurder is door de kantonrechter veroordeeld tot ontruiming van de woning, met uitvoerbaarheid bij voorraad. De huurder verzoekt in kort geding de executie van dit vonnis te staken vanwege zijn medische situatie en schuldenproblematiek.

De rechtbank overweegt dat het belang van de verhuurder, die een gezonde woonomgeving wil waarborgen en haar zerotolerancebeleid wil handhaven, zwaarder weegt dan het belang van de huurder. De huurder heeft onvoldoende medische stukken overgelegd die aantonen dat zijn behandeling of schuldsanering afhankelijk is van het behoud van de woning.

De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ontruiming kan plaatsvinden zoals gepland.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en de ontruiming kan plaatsvinden.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11624355 \ VV EXPL 25-15
Vonnis in kort geding van 18 april 2025
in de zaak van
[huurder],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. A.D. van Koningsveld,
tegen
STICHTING ALWEL,
te Roosendaal,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Alwel,
gemachtigde: [gemachtigde] , Alwel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 april 2024 met producties 1 tot en met 4,
- de brief van [huurder] met producties 5 tot en met 8,
- de mondelinge behandeling van 11 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- De spreekaantekeningen van mr. B.E.C. de Jong, die optrad als gemachtigde van [huurder] namens mr. A.D. van Koningsveld,
- de spreekaantekeningen van [gemachtigde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Alwel is eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Zij heeft deze woning met ingang van 1 augustus 2022 aan [huurder] verhuurd.
2.2.
Bij vonnis van 19 februari 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de huurovereenkomst ontbonden en [huurder] veroordeeld de woning binnen twee maanden te ontruimen (hierna: het vonnis). De veroordeling tot ontruiming is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
Het vonnis is op 21 februari 2025 bij deurwaardersexploot aan [huurder] betekend, waarbij hem is aangezegd dat de ontruiming zal plaatsvinden op 29 april 2025, omstreeks 9.30 uur.

3.Het geschil

3.1.
[huurder] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad Alwel te gelasten de executie van het vonnis te staken en gestaakt te houden, totdat er in hoger beroep een beslissing zal zijn gegeven, dit op straffe van een dwangsom.
3.2.
[huurder] stelt dat hij in een noodtoestand zal verkeren indien de geplande ontruiming doorgaat, vanwege de gevolgen voor zijn medische situatie en schuldenproblematiek. Gelet op deze omstandigheden verzoekt [huurder] de ontruiming te schorsen totdat er in hoger beroep is beslist.
3.3.
Alwel voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.
Beoordelingskader
4.2.
Dit is een geschil over de executie van een rechterlijke beslissing (artikel 438 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv). Anders dan partijen menen, geldt in dit geval niet de maatstaf uit het Ritzen/Hoekstra-arrest van de Hoge Raad [1] . Tegen het vonnis staat nog hoger beroep open en in het vonnis is de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd. Dit leidt ertoe dat bij de beoordeling van de vorderingen de (ruimere) maatstaf uit het Zeester-arrest [2] geldt.
4.3.
Uitgangspunt is dat het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd, tenzij het belang van de veroordeelde ( [huurder] ) bij behoud van de bestaande situatie zwaarder weegt dan het belang van de partij die de veroordeling heeft gekregen (Alwel) bij directe uitvoerbaarheid. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in het vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel blijft daarbij in beginsel buiten beschouwing. De kantonrechter kan in zijn oordeelsvorming wel betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag. Dit staat echter in deze zaak niet ter discussie. De kantonrechter beperkt zich daarom tot de vraag of [huurder] belang zwaarder weegt.
De belangen van [huurder] wegen niet zwaarder
4.4.
Alwel heeft als verhuurder (van sociale huurwoningen) evident belang bij het waarborgen van een gezonde woon- en leefomgeving voor alle huurders in de omgeving van de woning, evenals bij het voorkomen van precedentwerking. Daarnaast is het voor Alwel van belang dat haar zerotolerancebeleid ten aanzien van prostitutieactiviteiten in haar woningen wordt gehandhaafd. Daarvoor is het belangrijk dat consequenties van tekortkomingen in de huurovereenkomst ook volgen na een veroordelend vonnis en dus dat het vonnis ten uitvoer wordt gelegd.
4.5.
In beginsel heeft iedere huurder nadrukkelijk belang bij behoud van zijn woning. Hoewel dat belang in het algemeen groot is, zullen er in het kader van deze belangenafweging meer specifieke feiten en omstandigheden moeten worden gesteld die verder reiken dan het algemene huurdersbelang. Het specifieke belang van [huurder] is er volgens hem in gelegen dat het bijzonder ingrijpend voor hem is om zijn woning te verliezen vanwege zijn psychische en medische situatie waarvoor hij op dit moment behandeling ontvangt. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat hij in de week van 18 maart 2025 door twee buitengewoon opsporingsambtenaren in het openbaar vervoer is mishandeld, waarbij hij letsel heeft opgelopen. Daarnaast stelt hij dat het behoud van zijn woning essentieel is voor het oplossen van zijn schuldenproblematiek en dat hij tracht hulpverlening te verkrijgen, wat volgens hem afhankelijk is van het hebben van een eigen woonadres.
4.6.
Het is onvoldoende duidelijk geworden dat [huurder] voor het volgen van een (psychisch-)medische behandeling afhankelijk is van de woning. Hij heeft geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat zijn behandeling bij verlies van de woning in gevaar komt of dat het verlies van de woning zijn herstel anderszins (ernstig) benadeelt. Ook is niet aannemelijk geworden dat hij zonder deze woning geen toegang heeft tot schuldhulpverlening of maatschappelijke ondersteuning.
4.7.
[huurder] medische situatie en schuldenproblematiek leiden daarom niet tot de conclusie dat zijn belang bij behoud van de woning zwaarder weegt dan het belang van Alwel bij de tenuitvoerlegging van het vonnis. Gelet op het voorgaande bestaat er dan ook geen grond om de executie te staken. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Proceskostenveroordeling
4.8.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Alwel worden begroot op:
- salaris gemachtigde
40,00
(1 punt × € 40,00)
- nakosten
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
60,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [huurder] af,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 60,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2025.