Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Beoordeling door de rechtbank
3.Conclusie en gevolgen
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende diende op 5 april 2023 een bezwaarschrift in tegen de WOZ-beschikking en aanslag OZB 2023 betreffende een object. Omdat de heffingsambtenaar niet tijdig op het bezwaar besloot, stelde belanghebbende de ambtenaar op 21 februari 2024 in gebreke. Pas op 25 oktober 2024 werd het beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing, ruim zeven maanden na het verstrijken van de beslistermijn.
De rechtbank beoordeelde het beroep op ontvankelijkheid en concludeerde dat het beroepschrift onredelijk laat was ingediend. Belanghebbende reageerde niet op een verzoek van de rechtbank om een toelichting op de late indiening. Er was geen bewijs van enige actie van belanghebbende om alsnog een beslissing op bezwaar te verkrijgen in de tussenliggende periode.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en zag af van inhoudelijke beoordeling. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen, mede omdat de bezwaarfase nog niet was afgerond. De heffingsambtenaar blijft verplicht om alsnog uitspraak op bezwaar te doen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.