ECLI:NL:RBZWB:2025:2482

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
BRE 24/7234
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:36c AwbArt. 8:54 AwbArt. 236 Gemeentewet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens onredelijk late indiening tegen niet tijdig beslissen bezwaar WOZ en OZB

Belanghebbende diende op 5 april 2023 een bezwaarschrift in tegen de WOZ-beschikking en aanslag OZB 2023 betreffende een object. Omdat de heffingsambtenaar niet tijdig op het bezwaar besloot, stelde belanghebbende de ambtenaar op 21 februari 2024 in gebreke. Pas op 25 oktober 2024 werd het beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing, ruim zeven maanden na het verstrijken van de beslistermijn.

De rechtbank beoordeelde het beroep op ontvankelijkheid en concludeerde dat het beroepschrift onredelijk laat was ingediend. Belanghebbende reageerde niet op een verzoek van de rechtbank om een toelichting op de late indiening. Er was geen bewijs van enige actie van belanghebbende om alsnog een beslissing op bezwaar te verkrijgen in de tussenliggende periode.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en zag af van inhoudelijke beoordeling. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen, mede omdat de bezwaarfase nog niet was afgerond. De heffingsambtenaar blijft verplicht om alsnog uitspraak op bezwaar te doen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijk late indiening en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7234
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar, verbonden aan Het nieuwe WOZ-bureau),
en
de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat de heffingsambtenaar geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan ten aanzien van het bezwaar van 5 april 2023 tegen de WOZ-beschikking en de aanslag OZB 2023 inzake het object [adres] .
1.2.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

2.Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2.1.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.2.
Belanghebbende heeft op 5 april 2023 een bezwaarschrift ingediend. Belanghebbende heeft gelet op zijn verklaring van 10 juli 2023 meerdere bezwaren tegen hetzelfde aanslagbiljet ingediend en dus mogelijk al eerder bezwaar gemaakt, maar deze zullen alle in 2023 zijn ingediend. Dat betekent dat de beslistermijn is geëindigd op 31 december 2023. [1]
2.3.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar per e-mail (met bijlages) van 21 februari 2024 in gebreke gesteld. Belanghebbende heeft op 25 oktober 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Belanghebbende heeft ruim zeven maanden na de dag dat de mogelijkheid tot het instellen van beroep ontstond beroep ingesteld. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom niet eerder beroep is ingesteld. Van de plaatsing van dit bericht in het digitale dossier is een notificatie aan de gemachtigde van belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. De rechtbank neemt aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen. [2] Belanghebbende heeft niet gereageerd.
2.4.
Niet is gebleken dat belanghebbende in de periode van zeven maanden tussen de ingebrekestelling en het indienen van beroep actie heeft ondernomen om een beslissing op bezwaar te verkrijgen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. [3]
2.5.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep en de verzoeken om een dwangsom vast te stellen. Voorgaande neemt niet weg dat de heffingsambtenaar nog uitspraak op bezwaar moet doen.
Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding?
2.6.
Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om dat verzoek inhoudelijk te beoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het beroep van belanghebbende zich nu enkel richt tegen het niet tijdig beslissen van de heffingsambtenaar en de bezwaarfase nog niet is afgerond.

3.Conclusie en gevolgen

3.1.
Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 25 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 236, tweede lid van de Gemeentewet.
2.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb.
3.Vergelijk de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 12 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2173.