Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 29 april 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], te [plaats], eiser,
Inleiding
.Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de rechtbank
.
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin zijn mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 49,69% met ingang van 9 mei 2022. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of deze vaststelling juist is.
Medische rapportages van een primaire verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) zijn bestudeerd. De primaire arts constateerde ernstige pijnklachten en beperkingen aan de rechterschouder en rechterarm, terwijl de verzekeringsarts b&b minder verstrekkende beperkingen aannam, onderbouwd met een zorgvuldige medische beoordeling. Eiser voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat, met name de pijnklachten en de noodzaak van een urenbeperking, maar de rechtbank volgde de gemotiveerde medische beoordeling van de verzekeringsarts b&b.
Daarnaast heeft een arbeidsdeskundige van het UWV functies geselecteerd die passend zijn bij de vastgestelde beperkingen. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van deze functies en het inkomen leidde tot 49,69%. Eiser bracht geen gegronde bezwaren tegen deze functies naar voren.
De rechtbank concludeert dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid juist is. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit van het UWV blijft van kracht en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft van kracht.