Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 17 april 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende](belanghebbende), uit [plaats 2], eiseres
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft een WIA-uitkering aangevraagd na een periode van ziekte en arbeidsongeschiktheid vanwege psychische en lichamelijke klachten. Het UWV heeft de uitkering geweigerd omdat belanghebbende minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid juist zijn vastgesteld.
De medische beoordeling door verzekeringsartsen van het UWV concludeerde dat belanghebbende beperkingen heeft, maar niet volledig arbeidsongeschikt is. De psychische klachten zijn stabiel en er is geen sprake van een grote urenbeperking. De rechtbank vond de medische rapporten consistent en voldoende onderbouwd. De gedwongen opname in 2022 kon niet worden meegewogen omdat deze na de datum in geding plaatsvond.
De arbeidsdeskundige heeft functies aangewezen die passen bij de belastbaarheid van belanghebbende. Eiseres voerde aan dat deze functies ongeschikt zijn vanwege hoge werkdruk en deadlines, maar de rechtbank vond dat deze functies routinematig en passend zijn. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid leidde tot minder dan 35%, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestaat.
De rechtbank wees het beroep af, oordeelde dat het UWV terecht de uitkering heeft geweigerd en wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de WIA-uitkering terecht geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.