ECLI:NL:RBZWB:2025:208

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 januari 2025
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
BRE-24_2683
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 236 Gemeentewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingebrekestelling bij afvalstoffenheffing

Belanghebbende diende op 24 juli 2023 een bezwaarschrift in tegen de aanslag afvalstoffenheffing bij de gemeente Alphen-Chaam. Hij stelde de heffingsambtenaar op 18 september 2023 in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing, terwijl de beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor was de ingebrekestelling prematuur en niet rechtsgeldig.

Een latere e-mail van belanghebbende uit februari 2024 voldeed niet aan de vereisten om als ingebrekestelling te worden aangemerkt, omdat deze niet duidelijk het bezwaar betrof, noch expliciet aandrong op een beslissing. De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is en kon het verzoek om een dwangsom niet inhoudelijk beoordelen.

De rechtbank benadrukte dat de heffingsambtenaar alsnog verplicht is om een beslissing op het bezwaar te nemen. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 17 januari 2025 door rechter S.J. Willems-Ruesink.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2683

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen-Chaam, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 24 juli 2023 tegen de aanslag afvalstoffenheffing.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Belanghebbende heeft op 24 juli 2023 een contactformulier ingevuld met daarin onder andere opgenomen dat het bedrag dat hij heeft betaald voor het ledigen van de container niet klopt en dat hij een rectificatie vraagt voor de geheven afvalstoffenheffing.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dit aangemerkt worden als een bezwaarschrift. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. [2] In dat geval eindigde de beslistermijn voor de heffingsambtenaar op 31 december 2023. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 18 september 2023 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Deze ingebrekestelling is dus prematuur.
3.2.
Tot het dossier behoort verder een e-mail van belanghebbende van 15 februari 2024 over het contactformulier. Deze e-mail kan niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Om als ingebrekestelling aangemerkt te kunnen worden is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt dat (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. [3] De e-mail voldoet niet aan die eisen.
3.3.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen en het verzoek om een dwangsom niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Voorgaande neemt niet weg dat de heffingsambtenaar gehouden is om een beslissing op het bezwaar te nemen. De rechtbank begrijpt uit het dossier dat al wel contact heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar, maar dat nog geen (formele) beslissing op het bezwaar is genomen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 17 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Volgens artikel 236 van Pro de Gemeentewet.
3.Zie ook Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1124.