Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:1849

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2025
Publicatiedatum
1 april 2025
Zaaknummer
BRE 24/4825
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.2 Wet IB 2001Art. 7.8 Wet IB 2001Art. 11 Wet van 15 mei 1829
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek prepensioenbetaling ex-echtgenote voor buitenlands belastingplichtige

Belanghebbende, woonachtig op Curaçao, betwist de aanslag inkomstenbelasting (IB) 2022 en de daarbij behorende belastingrente. Hij heeft in 2022 bedragen betaald aan zijn ex-echtgenote, die volgens een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie recht heeft op 50% van het prepensioen dat hij tussen 2012 en 2015 ontving en waarover toen belasting is geheven in Nederland.

Belanghebbende stelt dat deze betalingen in aftrek moeten worden gebracht op zijn inkomen in 2022, op grond van het matchingbeginsel. De rechtbank oordeelt echter dat de aanslagen over 2012-2015 definitief zijn en dat het Nederlandse belastingstelsel geen matchingbeginsel kent voor dergelijke inkomsten. Bovendien is belanghebbende in 2022 buitenlands belastingplichtige zonder kwalificerende status, waardoor hij geen recht heeft op aftrekposten.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de aanslag en belastingrente in stand blijven. Zij benadrukt dat zij gebonden is aan de wet en geen ruimte heeft om billijkheidstoetsen toe te passen. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2022 blijft onverminderd van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4825

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats] (Curaçao), belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 april 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende (via beeldverbinding) en de inspecteur deelgenomen. Namens de inspecteur zijn mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB voor het jaar 2022 te hoog is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft het gehele jaar 2022 op Curaçao gewoond.
3.1.
Van 1 april 2012 tot en met 31 maart 2015 woonde belanghebbende in Nederland. Belanghebbende heeft in die periode maandelijks een prepensioen ontvangen van [het prepensioen]. Over het prepensioen is in die jaren in Nederland inkomstenbelasting geheven.
3.2.
Op 29 juni 2021 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie op Curaçao beslist dat de ex-echtgenote van belanghebbende recht heeft op 50 procent van het prepensioen. Belanghebbende heeft dit bedrag verspreid over de jaren 2022, 2023 en 2024 aan zijn ex-echtgenote betaald.
3.3.
In geschil is of belanghebbende het bedrag dat hij in 2022 aan zijn ex-echtgenote heeft betaald in mindering mag brengen op het belastbaar inkomen uit werk en woning.

Motivering

De aanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2015
4. Belanghebbende voert aan dat de aan hem opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2015 – achteraf bezien – te hoog zijn geweest omdat daarin het hele prepensioen is belast. Omdat achteraf is komen vast te staan dat de helft van dat prepensioen toekwam aan zijn ex-echtgenote, brengt het matchingbeginsel mee dat de toen teveel betaalde belasting wordt teruggegeven in de jaren dat hij de helft van het prepensioen heeft doorbetaald, aldus belanghebbende.
4.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. De aanslagen over de jaren 2012 tot en met 2015 staan vast. Daar kan ook niets meer aan gedaan worden. Een verzoek om (ambtshalve) vermindering van die aanslagen van na 2020 kan volgens de wet niet meer worden ingewilligd. De rechtbank tekent hierbij aan dat in die oude jaren terecht geen rekening is gehouden met een aftrekpost ter zake van het prepensioen. Belanghebbende had in die jaren daarvan immers niets aan de ex-echtgenote betaald. De schuld aan de ex-echtgenote is toen in die jaren ook niet rentedragend geworden; dat in 2020 is bepaald dat belanghebbende wettelijke rente moet betalen, maakt de schuld niet rentedragend in de jaren 2012 tot en met 2015.
De aanslag IB/PVV 2022
4.2.
Belanghebbende stelt ook dat de betaling van het prepensioen aan zijn ex-echtgenote in 2022 in aftrek moet worden gebracht op het inkomen dat hij in 2022 uit Nederland heeft ontvangen, omdat dit bedrag was begrepen in het inkomen waarover hij in de jaren 2012 tot en met 2015 belasting heeft betaald in Nederland. Ook hierbij beroept hij zich op het matchingbeginsel.
4.3.
Wat belanghebbende wil is niet mogelijk. Het systeem van de wet brengt mee dat elk jaar afzonderlijk wordt beoordeeld hoeveel belasting betaald moet worden, op basis van de in dat jaar genoten inkomsten. Voor inkomsten als deze kent de wet geen matchingbeginsel.
4.4.
Ook los van het matchingbeginsel heeft belanghebbende geen recht op aftrek. De Nederlandse wet inkomstenbelasting maakt onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen. Bij die laatste groep wordt in Nederland geen belasting geheven over het wereldinkomen maar slechts over bepaalde inkomsten die aan Nederland te relateren zijn. Die laatste groep heeft geen recht op aftrekposten. Een uitzondering geldt voor kwalificerend buitenlandse belastingplichtigen. [1]
4.5.
Belanghebbende woonde in 2022 op Curaçao en was in Nederland daarom buitenlands belastingplichtige. Hij is geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige want inwoners van Curaçao kunnen dat niet zijn. Die status kan alleen gegeven worden aan inwoners van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden. [2] Omdat hij geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige is, heeft hij geen recht op persoonsgebonden aftrekposten.
4.6.
De rechtbank begrijpt dat belanghebbende het niet in aftrek nemen van de nabetaling aan de ex-echtgenote onbillijk vindt. De rechter kan echter niet anders dan de wet toepassen. Het is de rechter niet is toegestaan om wettelijke bepalingen te toetsen op innerlijke waarde of billijkheid. [3]
De belastingrentebeschikking
4.7.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Het bedrag van de belastingrente volgt het bedrag van de aanslag.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2022 en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 1 april 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) in samenhang met artikel 7.8 van de Wet IB.
2.Artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB.
3.Artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829, inhoudende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.