Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
BDO ACCOUNTANCY, TAX & LEGAL B.V., zijnde executeur van de nalatenschap van [erflater] ,
[erflater],
1.De procedure
2.De feiten
[datum 3] 2002,
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 731.966,00 niet verklaard kan worden en onduidelijk is waaraan dit bedrag is besteed. Uit door [eiser] ingesteld onderzoek is gebleken dat van voormelde bankrekeningen en aldus ten laste van het inkomen en vermogen van erflater betalingen aan zowel gedaagde als in het jaar 2022 naar Nederlandse en buitenlandse rekeningen op naam van derden tot een totaalbedrag van € 746.166,00 zijn gedaan. Een groot deel van deze betalingen heeft plaatsgevonden op een bankrekening in Thailand op naam van [gedaagde] . In dit verband heeft [eiser] aangevoerd dat dat de gedane betalingen ongebruikelijk waren en dat niet gebleken is dat het verrichten van betalingen tot een dergelijk bedrag voortvloeide uit de (rechts)verhouding tussen [gedaagde] en erflater, dat er niets bekend is over de mate waarin [gedaagde] gerechtigd was om de afgeschreven bedragen ten laste van het vermogen van erflater uit te geven, alsmede dat niet duidelijk is of erflater bekend was met de uitgaven. Tijdens de mondelinge behandeling is op dit punt betoogd dat het in een korte tijd afschrijven/uitgeven van grote bedragen niet past bij de persoon van erflater en dat het onwaarschijnlijk is dat erflater dergelijke risico’s heeft genomen.
(mede-)eigendom is, aldus steeds [gedaagde] . [gedaagde] meent dat haar in dit verband dan ook niets valt te verwijten.
€ 731.966,00 aan de nalatenschap is verschuldigd vanwege de aankoop van grond en de bouw van een huis in Thailand en omdat zij ten onrechte een bedrag van € 5.426,00 aan huurgelden heeft ontvangen.
indien en voor zover dit voortvloeit uit de beslissingen op de vorderingen sub I tot en met III) geldt alleen voor het onder sub II gevorderde bedrag van € 5.426,00. Dit bedrag kan in verband met het onder sub III gevorderde verrekend worden met het aan [gedaagde] gemaakte legaat van
€ 350.000,00. Omdat met betrekking tot vordering sub I niet is komen vast te staan dat [gedaagde] het gevorderde bedrag van € 731.966,00 aan de nalatenschap is verschuldigd, wordt aan de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld niet voldaan, zodat vordering sub IV reeds daarom wordt afgewezen.