ECLI:NL:RBZWB:2025:1712
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 en 2018 inzake specifieke zorgkosten vervoerskosten
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017 en 2018, met name over de aftrek van specifieke zorgkosten voor vervoerskosten. De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het beroep over 2018 en oordeelde dat dit beroep niet-ontvankelijk is vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Vervolgens werd het beroep over 2017 inhoudelijk behandeld.
De kern van het geschil betrof de vraag of de door belanghebbende gemaakte vervoerskosten hoger zijn dan die van een maatman, een gezonde persoon met een vergelijkbaar inkomen en gezinssituatie. Belanghebbende stelde dat bij de bepaling van het netto besteedbaar inkomen van de maatman rekening gehouden moest worden met zijn ziektekosten, wat door de rechtbank werd verworpen. De inspecteur had de maatman gebaseerd op een tabel van het NIBUD uit 2020, wat niet werd betwist als relevante referentie.
De rechtbank concludeerde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de aftrek voor vervoerskosten te laag was vastgesteld. Daarnaast werd vastgesteld dat de inspecteur niet alle stukken had verstrekt, maar dat dit geen gevolgen had voor de beoordeling van de aanslag 2017. De belastingrente werd gehandhaafd omdat daartegen geen zelfstandige gronden waren aangevoerd. Het beroep tegen de aanslag 2017 werd ongegrond verklaard, het beroep tegen de aanslag 2018 niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag 2017 is ongegrond en het beroep tegen de aanslag 2018 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.