ECLI:NL:HR:2020:267
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank wegens niet doorgezonden beroepschrift in belastingzaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een uitspraak op bezwaar van de Inspecteur inzake aanslagen inkomstenbelasting en Zorgverzekeringswet over 2012. Bij brief van 30 oktober 2018 diende belanghebbende bezwaar in tegen de uitspraak op bezwaar. Vervolgens stelde belanghebbende digitaal beroep in bij de rechtbank, maar deze oordeelde dat het beroepschrift niet tijdig was ingediend.
De rechtbank verwierp het verzet van belanghebbende tegen dit oordeel. In cassatie stelde belanghebbende dat de brief van 30 oktober 2018 als beroepschrift had moeten worden aangemerkt en doorgezonden door de Inspecteur aan de rechtbank, conform artikel 6:15 Awb Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de brief niet als beroepschrift had beschouwd en dat het beroep daardoor onontvankelijk was verklaard.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het verzet gegrond en bepaalde dat de rechtbank het onderzoek moest voortzetten. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het verzet gegrond omdat de brief van belanghebbende als beroepschrift had moeten worden behandeld.