ECLI:NL:RBZWB:2025:1535
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Kort geding
- Toekoen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en voorlopige toevertrouwing bij internationale kinderontvoering in kort geding
In deze kortgedingprocedure vordert de man de afgifte van zijn minderjarige kind en de voorlopige toevertrouwing aan hem, nadat de vrouw zonder zijn toestemming met het kind naar België is verhuisd, wat door de voorzieningenrechter als internationale kinderontvoering wordt aangemerkt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vordering tot afgifte onder het Haags Kinderontvoeringsverdrag valt en dat de Belgische rechter bevoegd is, waardoor hij zich onbevoegd verklaart voor deze vordering. De vordering tot voorlopige toevertrouwing valt onder de Brusselse II-ter Verordening en de Nederlandse rechter is bevoegd.
De voorzieningenrechter wijst de voorlopige toevertrouwingsvordering toe, omdat het kind formeel nog bij de vrouw verblijft maar partijen hebben afspraken gemaakt over een zorgregeling die wordt hervat. De vordering tot afgifte van het paspoort wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, nu partijen afspraken hebben gemaakt over het paspoort.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door voorzieningenrechter Toekoen en uitgesproken op 14 maart 2025.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd voor de afgiftevordering, wijst de voorlopige toevertrouwingsvordering toe en compenseert de proceskosten.