Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning op 1 januari 2022, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €256.000. De rechtbank beoordeelde de waarde aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen werden gebruikt die voldoende vergelijkbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat de door de heffingsambtenaar gebruikte waarderingsmethode onvoldoende rekening hield met de verschillen in aanbouwen en voorzieningen tussen de woning en de referentiewoningen. De berekening van de gemachtigde van belanghebbende kwam uit op een lagere waarde van €223.000, welke niet werd betwist door de heffingsambtenaar.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en stelde de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig bij. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.P.A. Boersma op 12 maart 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van de uitspraak.