Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 437,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd wegens het rijden met een motorrijtuig waarvan het keuringsbewijs was verlopen. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging waarvoor de boete werd opgelegd voldoende vaststond op basis van het dossier en de verklaring van de verbalisant. De betwisting van betrokkene werd niet gegrond bevonden. Wel was de redelijke termijn van berechting overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar duurde vanaf het opleggen van de boete op 1 november 2022.
Daarom werd de boete met 25% gematigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter, berekend op € 875,-. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag van € 37,50 terug te betalen aan betrokkene. De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De boete wordt met 25% gematigd en er wordt een proceskostenvergoeding toegekend.