Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het zonder ontheffing parkeren van een voertuig langer dan 6 meter en hoger dan 2,4 meter op een verboden plaats in Breda op 1 november 2022. Betrokkene voerde aan dat er geen bebording aanwezig was die het parkeerverbod kenbaar maakte, waardoor de boete ten onrechte is opgelegd.
De officier van justitie stelde dat het verbod op grond van de APV geldt zonder dat bebording vereist is en dat de gedraging vaststaat. De kantonrechter oordeelde dat het voertuig inderdaad te groot was en dat er sprake was van hinder en belemmering van het uitzicht, waardoor de boete terecht is opgelegd.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van het beroep was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De beslissing van de officier van justitie werd dus gewijzigd en de boete verlaagd.
Uitkomst: De boete wordt gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding toegekend.