ECLI:NL:RBZWB:2024:8696
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning ongegrond verklaard door rechtbank
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1930 die hij in 2020 kocht en ingrijpend verbouwde. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022 vast op €295.000 en legde de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde en stelde dat de waarde €274.000 zou moeten zijn. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de waarde.
De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt vastgesteld door vergelijking met referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte vergelijkbaar zijn en recent verkocht. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport van oktober 2024, waarin de waarde op €312.000 werd geschat, waarna de WOZ-waarde op €295.000 werd vastgesteld.
Belanghebbende stelde dat er rekenfouten in de waarderingsmatrix zaten, maar de rechtbank oordeelde dat deze fouten geen substantieel verschil maakten en dat de matrix niettemin voldoende betrouwbaar was. Ook was de woning na de verbouwing niet ondergemiddeld in onderhoud, zoals de taxateur had aangenomen. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond.
De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €295.000 wordt ongegrond verklaard.