ECLI:NL:RBZWB:2024:8553

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 augustus 2024
Publicatiedatum
13 december 2024
Zaaknummer
11089491 - MB VERZ 24-562
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens rijden op voetpad met matiging boete

Betrokkene werd beboet voor het rijden op het voetpad aan de Visserstraat te Breda op 30 november 2022. Hij stelde dat hij niet de straat was ingereden maar achteruit reed om te keren. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat uit het dossier, met name een foto waarop remlichten en achteruitrijlichten branden, blijkt dat betrokkene het verkeersbord is gepasseerd en de gedraging heeft verricht. De boete was daarom terecht opgelegd. Wel was er reden om de boete te matigen omdat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat hij draaide.

Daarnaast werd vastgesteld dat de officier van justitie de hoorplicht had geschonden door betrokkene niet te horen, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot vernietiging van de beslissing op het administratief beroep. Dit leidde tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep en matiging van de boete tot nihil. Het teveel betaalde bedrag moest worden terugbetaald.

Uitkomst: De boete voor rijden op het voetpad wordt gematigd tot nihil vanwege schending van de hoorplicht en aannemelijke omkering van de auto.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer : 11089491 \ MB VERZ 24-562
CJIB-nummer : 0062 5422 5434 4669
Uitspraakdatum : 19 augustus 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 augustus 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de Visserstraat 1 te Breda op 30 november 2022 om 16:06 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt deze straat niet te zijn ingereden, maar achteruit te zijn gereden. Betrokkene wilde omkeren.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht de sanctie te matigen tot de helft en heeft daartoe de volgende twee standpunten aangevoerd. Betrokkene is het bord gepasseerd, waardoor de gedraging is vastgesteld. Uit de foto in het dossier blijkt dat de remlichten en het achteruitrijlicht brandden, waardoor het aannemelijk is dat betrokkene niet die straat in wilde rijden. Ook is betrokkene bij de officier van justitie niet gewezen op het recht om gehoord te worden.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de foto in het dossier - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene is het verkeersbord gepasseerd. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat uit de foto in het dossier blijkt dat de remlichten en het achteruitrijlicht brandden. Hierdoor stelt de kantonrechter vast dat het aannemelijk is dat betrokkene is gedraaid.
Schending hoorplicht
Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.
Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet verder reden de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934).
Gelet op de bovenstaande punten zal de kantonrechter de boete matigen tot nihil. Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot nihil;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 159,- dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. de Brouwer, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: