ECLI:NL:RBZWB:2024:8154

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 november 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
22/5754
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a lid 1 Wet BPMArt. 13a lid 2 Wet BPMArt. 13a lid 3 Wet BPMArt. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag en verzuimboete BPM wegens niet-doorgeven ondernemersvrijstelling

Belanghebbende was houder van een bestelauto en had op het moment van inschrijving recht op de ondernemersvrijstelling voor BPM. Bij verkoop van de bestelauto binnen vijf dagen na inschrijving heeft belanghebbende nagelaten de ondernemersvrijstelling door te schuiven naar de nieuwe houder, waardoor de (rest) BPM verschuldigd werd.

De inspecteur legde een naheffingsaanslag van €4.644 en een verzuimboete van €464 op, welke belanghebbende betwistte. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat de BPM niet is voldaan. De verzuimboete is eveneens terecht opgelegd vanwege betalingsverzuim zonder dat belanghebbende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die schuld uitsluiten.

Hoewel de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met zes maanden is overschreden, is de boete lager dan €1.000 en ziet de rechtbank geen aanleiding tot matiging. Het beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht wordt toegewezen. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag en boete blijven in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de naheffingsaanslag BPM en de verzuimboete.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5754

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 oktober 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 4.644 opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 464 opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en verzuimboete gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. Namens belanghebbende is niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag BPM juist is en of de verzuimboete terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag BPM juist is en de verzuimboete terecht is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Naheffingsaanslag BPM
3.1.
Belanghebbende was volgens de kentekenregistratie vanaf 18 september 2020 tot en met 28 december 2021 houder van een bestelauto met [kenteken].
3.2.
Belanghebbende was op het moment van de inschrijving van de bestelauto in het kentekenregister geen BPM verschuldigd op grond van de ondernemersvrijstelling. [1]
3.3.
Op 29 december 2021, binnen vijf na inschrijving in het kentekenregister, heeft belanghebbende de bestelauto verkocht en de ondernemersvrijstelling niet doorgeschoven naar de nieuwe houder. Belanghebbende is dan op het moment van verkoop de (rest) BPM verschuldigd. [2] De inspecteur heeft de verschuldigde (rest) BPM van € 4.644 dan ook terecht bij belanghebbende in rekening gebracht. Omdat belanghebbende deze rekening niet heeft betaald, ziet de rechtbank geen aanleiding om de naheffingsaanslag te vernietigen.
Verzuimboete
3.4.
De inspecteur kan, naast de nageheven belasting, een verzuimboete opleggen als een belastingplichtige de belasting die hij op aangifte had moeten voldoen, niet heeft betaald. [3]
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de verzuimboete terecht opgelegd. Belanghebbende heeft de verschuldigde (rest) BPM immers niet betaald. Dit wordt aangemerkt als een betalingsverzuim. Opzet of schuld is daarvoor niet vereist. Een boete dient achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld. Belanghebbende heeft echter niets aangevoerd dat erop wijst dat daarvan sprake is.
3.6.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de opgelegde verzuimboete passend en geboden is. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarmee rekening zou moeten worden gehouden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de boete te matigen.
3.7.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van een zaak in eerste feitelijke instantie met zes maanden is overschreden (‘undue delay’). Daarbij geldt de dagtekening van de naheffingsaanslag van 25 mei 2022 als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum de boete is aangekondigd, en de uitspraakdatum als afloop van de redelijke termijn. Omdat de boete minder beloopt dan € 1.000 bestaat er geen aanleiding om de boete te matigen en is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van Pro het EVRM de verdragsschending voldoende gecompenseerd.
Griffierecht
3.8.
Ten aanzien van het te betalen griffierecht heeft belanghebbende een beroep op betalingsonmacht gedaan, omdat hij onvoldoende inkomen en geen vermogen heeft. Dat beroep is door de griffier voorlopig toegewezen. De rechtbank honoreert het beroep op betalingsonmacht.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag BPM en de verzuimboete in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 27 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 13a, lid 1 en 2, van de Wet BPM.
2.Artikel 13a, lid 3, van de Wet BPM.
3.Artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.