Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
€ 598.000.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning in Hilvarenbeek, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €598.000 per 1 januari 2021. Tevens is bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2022, welke samenhangt met de WOZ-waarde. De rechtbank heeft het beroep op 29 november 2023 behandeld.
De heffingsambtenaar heeft de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen binnen een jaar rond de waardepeildatum zijn gebruikt. Belanghebbende betoogde dat deze referentiewoningen onvoldoende vergelijkbaar zijn vanwege hun ligging binnen de bebouwde kom, terwijl zijn woning in het buitengebied ligt. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat met de verschillen in ligging rekening is gehouden, onder meer door gebruik van verschillende grondstaffels.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de referentiewoningen qua uitstraling, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen, zoals afwijkende koudv-factoren en bijgebouwen. De door belanghebbende aangevoerde forse waardestijging ten opzichte van het voorgaande jaar werd niet gevolgd, omdat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele feiten en omstandigheden.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde van €598.000 niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB wordt daarmee gehandhaafd. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €598.000 blijft gehandhaafd.