Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het voetpad van de Stadhuisstraat te Tilburg op 8 augustus 2021. Hij bracht zijn partner naar het centrum en moest daarna een vrachtwagen voor laten gaan, waarna hij het voetpad opreed omdat de verzinkbare palen omlaag waren. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter stelde vast dat de gedraging van betrokkene vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant en het bewijs in het dossier. Er was geen voldoende feitelijke grond om aan die verklaring te twijfelen. Wel werd erkend dat betrokkene niet kon aantonen dat hij geen andere mogelijkheid had dan het voetpad te gebruiken.
De kantonrechter oordeelde dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met ruim een jaar, waardoor matiging van de boete op zijn plaats was. Ook speelde mee dat de gemeente zelf twijfelde over de duidelijkheid van de situatie. De boete werd daarom gematigd tot €50, met terugbetaling van te veel betaalde zekerheid. Het beroep werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De boete wegens rijden op het voetpad wordt gematigd tot €50 vanwege overschrijding van de redelijke termijn en omstandigheden van de gedraging.