Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet voor het rijden op het trottoir/voetpad in de Torenstraat te Breda op 31 augustus 2022. Betrokkene voerde aan dat de Torenstraat niet als voetgangersgebied herkenbaar was en dat de boete onredelijk was. Tevens stelde hij dat de officier van justitie ten onrechte afzag van het opleggen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.
De officier van justitie stelde dat de wegindeling en bebording duidelijk maakten dat het een voetgangersgebied betrof en erkende een overschrijding van de redelijke beslistermijn, waardoor matiging van de boete op zijn plaats was. Tevens werd gesteld dat de beslistermijn niet rechtsgeldig was verlengd, waardoor een dwangsom verschuldigd is.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat en dat de Torenstraat voldoet aan het beleidskader voor voetgangersgebieden. De boete is terecht opgelegd, maar vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met een maand wordt de boete met 25% gematigd. Daarnaast is de officier van justitie gehouden tot terugbetaling van teveel betaalde zekerheid en tot het vergoeden van proceskosten. Ook is vastgesteld dat een dwangsom van € 1.442,- plus wettelijke rente verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen.
De kantonrechter verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, matigde de boete, kende proceskostenvergoeding toe en stelde vast dat de dwangsom moet worden betaald.
Uitkomst: De boete wordt gematigd vanwege termijnoverschrijding, proceskosten worden toegekend en een dwangsom van € 1.442,- plus rente wordt vastgesteld.