ECLI:NL:RBZWB:2024:7744
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende is eigenaar van een woning in [plaats], waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2022 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €337.000. Tegen deze vaststelling en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar is afgewezen. Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €300.000 zou moeten zijn en voerde aan dat de gebruikte referentiewoningen niet vergelijkbaar waren.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2024 behandeld, waarbij ook een taxateur van de heffingsambtenaar aanwezig was. De heffingsambtenaar heeft de waarde bepaald met de vergelijkingsmethode, gebruikmakend van drie referentiewoningen die volgens de rechtbank voldoende vergelijkbaar zijn. De taxateur heeft toegelicht dat de woning van belanghebbende als een geschakelde twee-onder-een-kapwoning wordt getypeerd, wat ook geldt voor de referentiewoningen.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, zoals bijgebouwen en perceeloppervlakte. De argumenten van belanghebbende over stijging van de WOZ-waarde en de taxatiewaarde van andere woningen zijn niet relevant voor de waardebepaling. Ook bestaat geen algemene verplichting tot inpandige opname voorafgaand aan de beschikking. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de WOZ-waarde en aanslag OZB.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €337.000 gehandhaafd.