ECLI:NL:RBZWB:2024:745
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling dagloon WIA-uitkering wegens niet-betrokken overuren
Eiser, werkzaam als chef-kok, is sinds september 2019 arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van loonopgaven van de werkgever, waarbij overuren uit 2018 en 2019 die pas in 2020 werden uitbetaald, niet werden meegenomen. Eiser maakte bezwaar en stelde dat deze overuren wel meegenomen moesten worden omdat zij vorderbaar en opeisbaar waren tijdens het refertejaar.
De rechtbank overweegt dat volgens artikel 15 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen alleen loon dat vorderbaar maar niet inbaar is, kan worden meegenomen als uitzondering. Dit vergt dat de werknemer de werkgever op niet mis te verstane wijze heeft gemaand tot betaling. Eiser heeft dit niet gedaan en de werkgever had geen betalingsonwil of -onvermogen. De uitbetaling in 2020 was een gevolg van een administratieve ontdekking.
De rechtbank oordeelt dat het UWV de overuren terecht niet heeft meegenomen in de dagloonberekening. Ook is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser heeft geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn dagloon wordt ongegrond verklaard.