ECLI:NL:RBZWB:2024:7199
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €344.000
Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning uit 1954 en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €344.000 per 1 januari 2022. Hij stelt dat de waarde maximaal €331.000 bedraagt en voert aan dat het indexeringspercentage niet inzichtelijk is gemaakt, wat volgens hem een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ inhoudt.
De heffingsambtenaar verdedigt de waarde en baseert deze op een taxatiematrix met vergelijkingswoningen die rond de waardepeildatum zijn verkocht. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank volgt jurisprudentie dat de indexeringspercentages niet onder artikel 40 Wet Pro WOZ vallen en dat belanghebbende met de beschikbare gegevens de waarde had kunnen controleren.
De rechtbank vindt dat de gebruikte referentiewoningen, op één na, voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar adequaat rekening heeft gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen. De waarde van de woning blijft daarom gehandhaafd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023 blijft staan en belanghebbende geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €344.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.