ECLI:NL:RBZWB:2024:6656
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en schending artikel 40 Wet WOZ
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kap woning uit 1954 met een perceel van 308 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2022 vast op €269.000 en legde de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling, waarbij het geschil zich uiteindelijk beperkte tot de vraag of artikel 40 van Pro de Wet WOZ was geschonden.
Belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar tijdens de bezwaarprocedure niet de grondstaffel, indexeringspercentages en correctiepercentages had verstrekt, waardoor hij niet in staat was de waardebepaling te controleren. Dit zou een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ betekenen en recht geven op vergoeding van griffierecht en proceskosten. De heffingsambtenaar verweerde zich door te stellen dat het WOZ-taxatieverslag was toegezonden en dat de overige gegevens op de website van Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) waren gepubliceerd.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van het Hof Arnhem-Leeuwarden en oordeelde dat de indexeringspercentages en onderbouwingen daarvan niet onder de reikwijdte van artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ vallen. De heffingsambtenaar is daarom niet verplicht deze gegevens te verstrekken. Met het taxatieverslag en de openbaar beschikbare informatie had belanghebbende voldoende middelen om de waarde te controleren. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd blijven en geen vergoeding van kosten wordt toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.