ECLI:NL:RBZWB:2024:6655
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde en OZB-aanslag; geen schending artikel 40 Wet WOZ
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023. De heffingsambtenaar stelde de waarde op € 409.000 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Tijdens de zitting gaf belanghebbende aan dat de inhoudelijke gronden niet meer in geschil waren, waardoor het geschil zich beperkte tot de vraag of artikel 40 Wet Pro WOZ was geschonden.
Belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar in de bezwaarprocedure niet de grondstaffel, indexeringspercentages en correctiepercentages had verstrekt, waardoor hij de onderbouwing van de WOZ-waarde niet kon controleren. Dit zou volgens hem leiden tot een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ en recht geven op vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De heffingsambtenaar betoogde dat het uitgebreide WOZ-taxatieverslag was toegezonden en dat de overige gegevens via de website van Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) beschikbaar waren. De rechtbank volgde de jurisprudentie van het Hof Arnhem-Leeuwarden dat de indexeringspercentages niet onder artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ vallen, en oordeelde dat belanghebbende voldoende informatie had om de waarde te controleren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en OZB-aanslag en wees de vergoeding van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en OZB-aanslag wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.