Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Beoordeling door de rechtbank
3.Conclusie en gevolgen
4.Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar over de WOZ-waarde van een woning vastgesteld op €427.000 per 1 januari 2021. Tijdens de zitting betwistte belanghebbende de WOZ-waarde niet langer, waardoor het geschil zich beperkte tot de vraag of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ was geschonden en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
Belanghebbendes gemachtigde stelde dat de heffingsambtenaar tijdens de bezwaarprocedure niet de gevraagde gegevens had verstrekt, wat een schending van artikel 40 WOZ Pro zou zijn. De heffingsambtenaar voerde aan dat het verzoek onvoldoende specifiek was. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde in elke fase mocht onderbouwen en dat het beroep op schending van artikel 40 te Pro algemeen was geformuleerd en onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast verzocht belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen recht had op vergoeding, mede omdat cliënten van de gemachtigde doorgaans niet actief betrokken zijn bij de procedure en niet actief worden geïnformeerd, waardoor geen sprake was van te veronderstellen immateriële schade.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de vastgestelde WOZ-waarde en de gelijktijdig opgelegde aanslagen en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding is afgewezen.