ECLI:NL:RBZWB:2024:6260
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en hoorrecht niet geschonden
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). Hij stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld op €1.060.000 en dat zijn hoorrecht was geschonden omdat hij niet in de gelegenheid was gesteld om gehoord te worden.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar het hoorrecht niet heeft geschonden. De gemachtigde van belanghebbende had een uitnodiging voor een hoorzitting ontvangen, maar hier niet op gereageerd en was niet verschenen. De rechtbank vond dat een tweede gelegenheid om gehoord te worden niet verplicht was.
De waarde van de woning werd vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen werden gebruikt. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiekaart en taxatieverslag, terwijl belanghebbende een lager bedrag van €960.000 verdedigde op basis van een eigen taxatierapport. De rechtbank achtte de onderbouwing van de heffingsambtenaar overtuigend, mede vanwege de grondwaarde die hoger was dan de vastgestelde WOZ-waarde.
Belanghebbende maakte aanspraak op vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank oordeelde dat het financiële belang minder dan €1.000 bedroeg en volstond met de constatering van de termijnoverschrijding.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag OZB bleven in stand, en er werd geen vergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft €1.060.000.