ECLI:NL:RBZWB:2024:4634

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
9 juli 2024
Zaaknummer
21/2872Ghk
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:104 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing geheimhouding interne e-mails en memo bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting

Belanghebbende is geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over 2015, die door de inspecteur is opgelegd en gehandhaafd na bezwaar. Belanghebbende is tegen deze aanslag in beroep gegaan. De inspecteur heeft stukken overgelegd die deels zijn geanonimiseerd, waaronder e-mails en een memo met een weggelakt gedeelte onder het kopje 'Wat nu?'.

De inspecteur beriep zich op geheimhouding van deze stukken op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze interne overleggen bevatten die van belang zijn voor de oordeelsvorming en waarin vrijelijk overleg moet kunnen plaatsvinden. Belanghebbende betwistte dit en wilde volledige inzage omdat de stukken relevant kunnen zijn voor de vraag of er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt of ambtelijk verzuim.

De geheimhoudingskamer heeft zonder zitting de stukken beoordeeld en geoordeeld dat het belang van de inspecteur om vrij intern overleg te voeren zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij volledige kennisneming. Daarom is het beroep op geheimhouding van de e-mails en het gedeelte van het memo na 'Wat nu?' gerechtvaardigd. De zaak wordt voortgezet in de huidige stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep op geheimhouding van interne stukken door de inspecteur gerechtvaardigd en bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de huidige stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/2872
Tussenuitspraak op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.F. van Immerseel),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Het verzoek

1. De inspecteur heeft met dagtekening 25 juli 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2015 (de navorderingsaanslag) aan belanghebbende opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd. Daartegen heeft belanghebbende beroep ingesteld.
1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 16 november 2021 een verweerschrift met bijlagen (genummerd van 1 tot en met 40) ingediend. Bijlage 40 bij het verweerschrift is een memo (het memo) waarbij de tekst onder het kopje ‘Wat nu’ is weggelakt. De inspecteur heeft in het verweerschrift zijn beroep op geheimhouding als volgt toegelicht: Het verzoek om geheimhouding betreft e-mails van 23 april 2019 tot en met 30 januari 2020 en het gedeelte van het memo onder het kopje ‘Wat nu’. Via deze (gedeelten van) stukken heeft intern overleg plaatsgevonden inzake de oordeelsvorming voor het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag. De gewichtige reden voor geheimhouding is de mogelijkheid om over de zaak intern vrijelijk overleg te voeren en een oordeel te vormen.
1.2.
De inspecteur heeft bij separate brief van 16 november 2021, met in de aanhef ‘Betreft: Stukken artikel 8:29 AWB Pro’ een ongeschoonde versie van het memo overgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur de volgende stukken overgelegd:
- e-mail van 23 april 2019; 15:02 uur - intern overleg
- e-mail van 27 januari 2020; 09:30 uur - intern overleg
- e-mail van 27 januari 2020; 09:50 uur - intern overleg
- e-mail van 27 januari 2020; 10:09 uur - intern overleg
- e-mail van 28 januari 2020; 09:20 uur - intern overleg
- e-mail van 30 januari 2020; 09:57 uur - intern overleg
- e-mail van 3 februari 2020; 07:35 uur - intern overleg
- e-mail van 3 februari 2020: 07:47 uur - intern overleg
1.3.
Belanghebbende kan zich niet verenigen met het niet verstrekken van de e-mails (8 stuks) en het weglakken van het gedeelte na ‘Wat nu?’ in het memo. Volgens belanghebbende kunnen die stukken mogelijk van belang zijn voor de beoordeling of de inspecteur over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt of dat sprake is van een ambtelijk verzuim.

Overwegingen

Geen zitting
2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet nodig is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. [1]
Juridisch kader
3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van Pro de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
3.1.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Beoordeling van het verzoek
4. De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb, kennis genomen van de volledige inhoud van het memo en de e-mails en van de stukken van de hoofdzaak. Deze stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om die stukken geheim te houden.
4.1.
Zowel het memo als de e-mails zijn gewisseld tussen ambtenaren van de Belastingdienst en gaan over de tactische en procedurele invulling van de belastingheffing in verband met de rekening-courantschuld van belanghebbende bij [B.V.] Het belang van belanghebbende om kennis te nemen van deze stukken weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van de inspecteur om de uit deze stukken blijkende overleggen en afwegingen in vrijheid te doen zonder de verplichting belanghebbende daarvan op de hoogte te stellen. Daarom is het beroep op geheimhouding van die e-mails en het gedeelte van het memo na ‘Wat nu?’ gerechtvaardigd.
De rechtbank zal bepalen dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt.

Beslissing

De geheimhoudingskamer:
  • verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde reden voor geheimhouding van (delen van) de aan geheimhoudingskamer overgelegde stukken (zie 1.2) gerechtvaardigd is;
  • bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. B.W. Liu, griffier op 9 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze tussenuitspraak?

Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.3.1.