ECLI:NL:RBZWB:2024:3957
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €166.000
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €166.000 per 1 januari 2020. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde werd getoetst aan referentiewoningen die recentelijk waren verkocht en voldoende vergelijkbaar waren.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin drie referentiewoningen werden vergeleken met de woning van belanghebbende. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen qua ligging, bouwjaar, inhoud en grondoppervlakte passend waren en dat de correcties voor verschillen, zoals het voorzieningenniveau en onderhoud, adequaat waren toegepast.
Belanghebbende stelde dat de woning in een gedateerde staat verkeerde, wat volgens hem een lagere waarde zou rechtvaardigen. De rechtbank vond dit niet aannemelijk en wees erop dat de taxateur al rekening had gehouden met een lager voorzieningenniveau.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Hierdoor blijft de aanslag onroerendezaakbelasting ongewijzigd en worden de griffierechten en proceskosten niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €166.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.