ECLI:NL:RBZWB:2024:3956
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning vastgesteld met vergelijkingsmethode
Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning uit 1963 met een inhoud van 286 m³ en een perceel van 158 m², inclusief een vrijstaande garage en schuur. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op €137.000 en legde de aanslag OZB 2021 op. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de woning maximaal €105.000 waard is.
De rechtbank beoordeelde het beroep zonder zitting en baseerde zich op het taxatierapport van 25 september 2021, waarin drie referentiewoningen in dezelfde plaats en uit dezelfde bouwperiode werden vergeleken. De rechtbank achtte deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vond dat de heffingsambtenaar op transparante wijze rekening had gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen.
Belanghebbende had gesteld dat de woning in slechte onderhoudstoestand verkeert, maar kon dit niet aannemelijk maken omdat hij geen foto’s had verstrekt. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €137.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.