ECLI:NL:RBZWB:2024:3373
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2022. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €343.000 per 1 januari 2021, gebaseerd op een taxatierapport met vergelijkingsmethodiek.
De rechtbank beoordeelde of de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en of de heffingsambtenaar op juiste wijze rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen. De rechtbank concludeerde dat de referentiewoningen qua ligging, bouwjaar en kenmerken passend waren en dat correcties voor onderhoud en ligging adequaat waren toegepast.
Belanghebbende voerde aan dat de WOZ-waarde met 24% was gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar, wat volgens hem niet gerechtvaardigd was. De rechtbank oordeelde dat de Wet WOZ vereist dat de waarde wordt bepaald op basis van de marktomstandigheden rond de waardepeildatum, zonder gebondenheid aan eerdere waarderingen of algemene indexen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierechten of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd op €343.000.