ECLI:NL:RBZWB:2024:3061

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
10 mei 2024
Zaaknummer
10835894 \ MB VERZ 23-679
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen verkeersboete wegens schending hoorplicht

Betrokkene werd op 2 juni 2022 beboet voor het rijden in een gebied met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen. Hoewel betrokkene erkende de overtreding, voerde zij aan dat de verkeersomleidingen en werkzaamheden haar in verwarring brachten. De officier van justitie wees het administratief beroep af zonder betrokkene te horen, wat in strijd is met de wettelijke hoorplicht.

De kantonrechter stelde vast dat de bebording op de betreffende datum aanwezig was en dat de overtreding feitelijk had plaatsgevonden. Betrokkene gaf tegenstrijdige verklaringen over het missen van het verkeersbord. De schending van de hoorplicht door de officier van justitie leidde tot vernietiging van diens beslissing en matiging van de boete met 25%.

De kantonrechter wijzigde de boete dienovereenkomstig en beval terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan betrokkene. De uitspraak werd gedaan op 4 april 2024 en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Beroep deels gegrond verklaard, boete met 25% gematigd en teveel betaalde zekerheid terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer: 10835894 \ MB VERZ 23-679
CJIB-nummer: 1062 5422 5039 1614
uitspraakdatum: 4 april 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
[adres]
[woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 april 2024 Namens de officier van justitie is verschenen mr. C.M. Oostdam (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven:
handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12 op de Houtmarkt (richting Karnemelkstraat) te Breda op 2 juni 2022.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt goed te weten daar niet in te mogen rijden, maar ten tijde van de gedraging was er sprake van verkeersomleidingen. Op die dag waren er ongelooflijk veel omleidingen/werkzaamheden zodat zij op een gegeven moment in kleine paniek raakte en tegen haar partner zei dat ze geen kant uit kon en uiteindelijk bleef één richting over en dat was de Oude Vest. Ook wordt er in het proces-verbaal gesproken over 13 mei 2022 en 8 juni 2022, terwijl de boete van betrokkene op 2 juni 2022 is opgelegd.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In het schouwrapport van 8 juni 2022 is er niets verklaard over werkzaamheden op de plek van de gedraging. Daarbij geeft betrokkene in het administratief beroep bij de officier van justitie aan dat zij het verkeersbord had gemist. Betrokkene is bij de officier van justitie niet gewezen op het recht om gehoord te worden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt de boete te matigen met 25% aangezien er sprake is geweest van schending van de hoorplicht.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene ontkent de gedraging ook niet.
De gedraging is op 2 juni 2022 geconstateerd. Er zijn schouwrapporten van 13 mei 2022 en van 8 juni 2022 aanwezig waaruit blijkt dat de bebording op die data aanwezig was. Dat is volgens vaste rechtspraak voldoende om ervan uit te gaan dat de bebording ook op de tussenliggende datum 2 juni 2022 aanwezig was.
De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter is het ambtshalve bekend dat er ten tijde van de gedraging werkzaamheden en verkeersomleidingen waren. Wel was er op de plek van de gedraging bebording aanwezig. De kantonrechter stelt vast dat betrokkene tegenstrijdige verklaringen afgegeven heeft. Bij de officier van justitie heeft zij verklaard het bord te hebben gemist en bij de kantonrechter heeft betrokkene daar niks over aangevoerd. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om de boete om deze reden te matigen.
Schending hoorplicht
Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.
Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet verder reden de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934).
Het beroep tegen de inleidende beschikking is gelet hierop gedeeltelijk gegrond en die beschikking zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in
€ 75,- plus € 9,- administratiekosten;
- draagt de officier van justitie op het bedrag van € 25,- dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2024.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: