ECLI:NL:RBZWB:2024:1905
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018.
De inspecteur had het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verlaagd na het Kerstarrest van de Hoge Raad en het Besluit rechtsherstel box 3. Belanghebbende stelde dat de belastingheffing niet meer in geschil was, maar verzocht nog om een immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep, die ruim 2 jaar en 5 maanden bedroeg. Op grond hiervan kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 2.500, waarvan € 345 voor rekening van de inspecteur komt en € 2.155 voor rekening van de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid).
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van € 875 voor de ingediende beroepschrift. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de aanslag wordt gehandhaafd zoals vastgesteld bij de verminderingsbeschikking.
De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier M.A.M. van Meer op 21 maart 2024 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens overschrijding redelijke termijn, met toekenning van immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding.