ECLI:NL:RBZWB:2024:1709
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning en aanslag OZB gemeente Breda
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) door de heffingsambtenaar van de gemeente Breda. De heffingsambtenaar had de waarde per 1 januari 2021 vastgesteld op €379.000 en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar niet alle relevante gegevens had verstrekt, waaronder indexeringspercentages en correcties met betrekking tot de VvE-reserve, en dat de waarde te hoog was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar conform artikel 40 Wet Pro WOZ had gehandeld door te verwijzen naar openbaar beschikbare gegevens en dat de VvE-reserve correct was verwerkt.
De waarde was bepaald met de vergelijkingsmethode aan de hand van referentiewoningen in hetzelfde appartementencomplex. De rechtbank achtte deze referentiewoningen geschikt en vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen in voorzieningen en ligging. De stellingen van belanghebbende over geluidsoverlast en gedateerde voorzieningen waren onvoldoende om de waarde aan te passen.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB bleef gehandhaafd en belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €379.000 blijft gehandhaafd.