ECLI:NL:RBZWB:2024:1332
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Wraking
- Peters
- Van Kralingen
- Römers
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek rechter wegens vermeende partijdigheid kennelijk ongegrond verklaard
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die betrokken is bij twee civiele hoofdprocedures. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid omdat de rechter de zitting niet wilde verdagen ondanks medische redenen van verzoeker, die geen doktersverklaring kon overleggen vanwege het ontbreken van een huisarts.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de jurisprudentie van de Hoge Raad. De kamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden kunnen leiden tot een vermoeden van vooringenomenheid.
De beslissing om de zitting niet te verdagen is een procesbeslissing waartegen de wrakingskamer geen inhoudelijk oordeel kan geven, tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Dit was niet het geval, mede omdat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn medische situatie niet kon onderbouwen.
Daarnaast constateerde de wrakingskamer dat verzoeker vaker wrakingsverzoeken indient met soortgelijke medische gronden, die steeds kennelijk ongegrond werden verklaard. Daarom werd een wrakingsverbod opgelegd om misbruik van het wrakingsinstrument te voorkomen.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek kennelijk ongegrond, besloot de hoofdprocedures voort te zetten en sloot uit dat een volgend wrakingsverzoek in behandeling wordt genomen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is kennelijk ongegrond verklaard en een wrakingsverbod is opgelegd wegens misbruik.