ECLI:NL:RBZWB:2024:1259

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
AWB- 23_9256
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen UWV op bezwaarschrift

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV en diende op 23 augustus 2023 beroep in wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift van 11 maart 2022. Het UWV heeft vervolgens op 29 september 2023 alsnog een beslissing genomen, waardoor verzoekster haar beroep introk.

De rechtbank beoordeelde het verzoek van verzoekster tot proceskostenvergoeding en stelde vast dat het UWV aan verzoekster was tegemoetgekomen door alsnog te beslissen. De rechtbank wees het verzoek toe en veroordeelde het UWV tot betaling van € 437,50 aan proceskosten, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5, ondanks het verzoek van het UWV om een lagere factor toe te passen.

Daarnaast is het UWV verplicht het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. De uitspraak is zonder zitting gedaan en openbaar gemaakt op 16 februari 2024 door rechter M. Snoeks.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/9256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2024 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV op haar bezwaarschrift van 11 maart 2022. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV op 29 september 2023 alsnog op het bezwaarschrift heeft beslist.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld bereid te zijn tot vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 0,25. Het UWV is verder bereid het griffierecht te vergoeden.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 23 augustus 2023 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift van 11 maart 2022. Het UWV heeft op 29 september 2023 alsnog beslist op het bezwaar van verzoekster. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?
4.2.
De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om in afwijking van de hoogste bestuursrechters [3] een lagere wegingsfactor (0,25 in plaats van 0,5), zoals verzocht door het UWV, toe te passen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
5. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. [4] . Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het UWV wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 16 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209 waarin uit de toegekende proceskostenvergoeding blijkt dat een wegingsfactor van 0,5 is toegepast.
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.