ECLI:NL:RBZWB:2024:119
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Van den Boom
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet vernietigd wegens niet-onverwijlde mededeling en onduidelijke dringende reden
Werknemer trad in juni 2019 in dienst als leerling stukadoor. Op 4 september 2023 meldde hij zich ziek. Op 20 september 2023 ontving hij een brief waarin werkgever het ontslag op staande voet per 1 september 2023 bevestigde, met algemene redenen zoals weigering van werkzaamheden, gedrag bij een klant en diefstal uit een bus.
De werknemer verzocht vernietiging van het ontslag, betaling van achterstallig loon en proceskosten. Werkgever voerde verweer maar kon niet aantonen dat het ontslag onverwijld was gegeven. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op 20 september 2023 voor feiten die al op 4 september bekend waren, niet onverwijld was en dat de redenen te algemeen waren geformuleerd, waardoor werknemer zich niet kon verweren.
De kantonrechter vernietigde het ontslag, veroordeelde werkgever tot betaling van achterstallig loon vanaf 1 september 2023, wettelijke rente en een beperkte wettelijke verhoging van 25%. Proceskosten werden aan werkgever opgelegd. Het verzoek tot betaling van vakantietoeslag werd afgewezen omdat die pas in mei wordt betaald volgens de arbeidsovereenkomst.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon met rente en proceskosten.